30-09-16

Vrijdag 30 september 2016

Jack & Diane

John Cougar

 

JukeMellen2.jpgJAMES DEAN

VOOR EEN DAG

Op deze dag in 1955 kwam James Dean om in een verkeersongeval. De autofanaat was op weg naar een race in het Californische Salinas toen hij in Cholame met zijn Porsche 550 frontaal inreed op de Ford Tudor van een bestuurder die twijfelend in het midden van de weg stond. Zwaar gewond werd hij in een ambulance geschoven, maar bij aankomst in het ziekenhuis bleek hij overleden. Hij was 24 jaar en had nog maar drie films gemaakt: ‘East Of Eden’, ‘Rebel Without A Cause’ en ‘Giant’. Die laatste prent kwam trouwens pas na zijn dood in de bioscopen.

Talrijk zijn de songs waarin deze Amerikaanse acteur opduikt, ook al gaat het zelden of nooit expliciet over hem. Er zijn van die nummers waarin zoveel namen worden opgesomd dat die van hem er wel moet tussen zitten. Ik denk dan aan We Didn’t Start The Fire van Billy Joel of Vogue van Madonna. In Electrolite van REM wordt hij in één adem genoemd met Martin Sheen en Steve McQueen. In Walk On The Wild Side van Lou Reed waant Jackie zich ‘James Dean for a day’. In Movie Star van Harpo spiegelt een mislukte acteur zich tevergeefs aan het overleden idool. En in American Pie van Don McLean loopt iemand rond in een jas die hij geleend heeft van James Dean. Zijn visitekaartje valt verder in pakweg Rock On van David Essex, Blue Jeans van Lana Del Rey en Speechless van Lady Gaga.

James Dean uit het album On The Border van Eagles gaat natuurlijk over de acteur zelf. Dat is ook het geval voor de eerste strofe van American Roulette uit het solodebuut van Robbie Robertson, al wordt hij daarin niet met naam genoemd. De rest van de tekst heeft het touwens over Elvis Presley en Marilyn Monroe, ook zonder hun namen te vermelden.

In Jack & Diane imiteert de eerste zo goed en zo kwaad mogelijk James Dean om de tweede te verleiden. De song over verliefde studenten en vruchteloze verwachtingen verscheen in 1982 op American Fool van John Mellencamp, die in die tijd nog platen maakte onder de naam John Cougar. Tegenwoordig heeft het woord ‘cougar’ andere connotaties. Je moet het maar eens googlen. Opmerkelijk is dat de song vandaag veel meer wordt gedraaid op classic-rockradio’s dan 34 jaar geleden. Leuk om weten is dat Mellencamp het koppel jaren later nog eens opvoerde in Eden Is Burning. Dat nummer begint met ‘Diane en Jack went to the movies.’ Misschien speelde er wel een film met James Dean…

 

Welkom aan de lezers die hier terechtkomen via www.internetgazet.be

29-09-16

Donderdag 29 september 2016

Whole Lotta Shakin’ Goin’ On

Jerry Lee Lewis

 

SCHANDALIG SCHUDDEN

Ik zou eens willen weten hoe hij er tegenwoordig uitziet.Vandaag viert Jerry Lee Lewis zijn 81ste verjaardag. Precies zestig jaar geleden nam hij in de legendarische studio’s van Sun Records in Memphis zijn eerste plaatje op, een cover van Crazy Arms van countryzanger Ray Price. Er werden wel wat exemplaren van verkocht in het zuiden van de States, maar het duurde tot in de zomer van 1957 voor hij heel de wereld kon wakker schudden met Whole Lotta Shakin’ Goin’ On. Snel volgden nog meert hits, die vandaag allemaal beschouwd worden als klassieke voorbeelden van rock-‘n-roll. Hoewel hij met die muziek de geschiedenis ingaat, heeft zijn carrière in dat genre maar enkele jaren geduurd. Zijn succes begon te tanen toen aan het licht kwam dat hij op zijn 22ste al voor de derde keer getrouwd was en nog wel met de 13-jarige dochter van zijn neef J.W.Brown, die bas speelde in zijn begeleidingsband. Jerry Lee Lewis was in Groot-Brittannië op tournee toen het schandaal zich verspreidde. Meteen werden concerten afgezegd en hij voelde zich verplicht terug te keren naar de V.S. Daar moest hij vaststellen dat zijn plaatjes uit de winkelrekken waren gehaald en dat ze niet meer op de radio werden gedraaid.

In de jaren zestig stapte Jerry Lee Lewis over naar de country, eigenlijk de muziekstijl van zijn allereerste opname. Met zo’n dertig songs haalde hij de top-10 van de Amerikaanse countryhitparade. Meer dan eens stond hij op nummer 1. Tot vandaag blijft hij platen maken. Sedert het jaar 2000 zijn liefst negen albums van hem verschenen, maar het enige in die rij dat enthousiast werd onthaald in de media is toch al tien jaar oud: Last Man Standing.

JukeShakin.jpgMaar het begon dus allemaal in 1957 met het ontstuimige Whole Lotta Shakin’ Goin’ On. Die single op zich werd ook al als een schandaal beschouwd. De tekst bevatte schunnige suggesties, werd gezegd. Sommigen meenden er zefs gevloek in te horen. Zulke liedjes zingen, dat paste toch niemand voor een blanke jongen uit de ‘Bible Belt’. De song werd geschreven door Sunny David – een pseudoniem van Roy Hall, die pianist was in de band van Webb Pierce – en Dave Williams. Die laatste, die de bijnaam ‘Curly’ droeg, was een zwarte. Ook dat stootte bepaalde radiostations af. Het was de tijd van de segregatie en de rassenscheiding gold zelfs in de ether. Dus, veel airplay kreeg Whole Lotta Shakin’ Goin’ On aanvankelijk niet. Het werd pas een grote hit nadat Jerry Lee Lewis het had gebracht in het televisieprogramma The Steve Allen Show. Overigens, er bestonden al vier oudere versies van dit nummer, allemaal in verschillende stijlen.

Met Great Balls Of Fire had Jerry Lee Lewis enkele maanden later al een gedroomde opvolger klaar. Het was een beetje hetzelfde liedje. Ook in die tekst hoorden sommigen seksuele toespelingen. Misschien heeft dat ook wel bijgedragen aan de bijval. Great Balls Of Fire werd geschreven door Otis Blackwell, de auteur van verschillende hits van Elvis Presley. Eigenlijk is ‘herschrijven’ het juiste werkwoord. De titel en een eerste songontwerp was van Jack Hammer, die een vermelding kreeg als co-auteur. Sta me toe nog eens herinneringen op te halen aan die laatste, die in april van dit jaar overleed. Geboren als Earl Solomon Burroughs, was hij van alle markten thuis. Schrijver en schilder. Songwriter, zanger en danser. Zelfs uitvinder met talrijke patenten op zijn naam. Dat stond allemaal op zijn visitekaartje. Hij was bevriend met Jimi Hendrix, deelde een flat met hem in Londen, schreef het scenario voor een rockopera over die legendarische gitaargod en speelde daarin ook nog de hoofdrol. In Parijse cabarets trad hij op als tapdanser en bracht hij imitaties van Sammy Davis en Chuck Berry. Verder trok hij een tijdlang op tournee als leadzanger van The Platters, voor wie hij ook songs componeerde. Later verhuisde hij naar Duitsland, waar hij in Amerikaanse kazernes optrad. Een tijdlang woonde hij ook in België, waar hij Albert Van Hoogten leerde kennen, de oprichter van de platenfirma Ronnex. Nadat zijn Kissin’ Twist hier een grote hit was geworden, maakte Jack Hammer nog talrijke twistvariaties voor dit label. Er verscheen zelfs een hele elpee met dergelijke dansnummers. Ze kwam in verschillende landen onder verschillende titels uit. Hier heette het album Twistin’ King, wat een van Hammers bijnamen was. In die dagen nam hij – zijn genre getrouw – Crazy Twist op met niemand minder dan Jo Leemans.

Welkom aan de lezers die hier terechtkomen via www.internetgazet.be

 

 

 

 

28-09-16

Woensdag 28 september 2016

I’ve Been Loving You Too Long

Otis Redding

 

CONCERT TIJDENS DE PAUZE

Op deze dag in 1965 kwam de derde elpee van Otis Redding binnen in de Amerikaanse albumlijst. Voluit heette ze Otis Blue / Otis Redding Sings Soul, maar meestal houdt men het bij Otis Blue. Het werd een van zijn meest succesvolle langspelers, niet het minst omdat er drie hitsingles op stonden. Otis Blue bevatte vooral covers, zoals Wonderful World van Sam Cooke, Down In The Valley van Solomon Burke, het prachtige You Don’t Miss Your Water van William Bell en zelfs Satisfaction van The Rolling Stones. Maar de A-kant opende met twee zelfgeschreven songs: Ole Man Trouble en Respect, dat twee jaar later een nummer 1 werd voor Aretha Franklin. Zij draaide de rollen wel om. Terwijl Otis Redding een beetje achting van zijn vrouw eiste, maakte Aretha Franklin er een feministisch strijdlied van.

JukeOtis.jpgDe A-kant werd afgesloten met I’ve Been Loving You Too Long, eigenlijk mijn favoriet. Ik hoor erin een vervolg op zijn oudere pareltjes Pain In My Heart en These Arms Of Mine. Ook I’ve Been Loving You Too Long kwam uit de pen van Otis Redding zelf. Wel kreeg hij voor die song de gewaardeerde hulp van co-auteur Jerry Butler. Butler was met onder meer Curtis Mayfield de stichter van de – excuseer de woordspeling – impressionante The Impressions. Voor die groep schreef hij hun eerste grote hit, For Your Precious Love. Als solo-artiest had hij veel succes met de later vaak gecoverde eigen compositie Only The Strong Survive.

Een klein half jaar voor I’ve Been Loving You Too Long op Otis Blue verscheen, was de song al met succes uitgebracht op single. Eigenlijk werd het Reddings grootste hit bij leven. (Sittin’ On) The Dock Of The Bay werd pas een nummer 1 nadat hij in december 1967 was omgekomen in een vliegtuigongeval. De singleversie van I’ve Been Loving You Too Long was trouwens apart in mono opgenomen met Isaac Hayes op toetsen. Het album werd ingeblikt met het vaste huisorkest van het soullabel Stax: organist Booker T. Jones, gitarist Steve Cropper, bassist Donald ‘Duck’ Dunn en drummer Al Jackson Jr. Nu kennen we hen als Booker T. & The MG’s. Alle nummers werden live in de studio in Memphis gespeeld en stonden op de band na een sessie die 22 uur duurde. Aan één stuk, hé. Ze begonnen eraan op zaterdag 9 juli om 10 uur en bliezen de laatste noot op zondag 10 juli om 14 uur. Wel was er een onderbreking van zaterdag 20 uur tot zondagmorgen 2 uur. Niet dat er toen geslapen werd, neen, die gasten speelden in die tijdspanne doodleuk een concert in een plaatselijke club.

In het magazine Mojo heeft Booker T. Jones eens herinneringen opgehaald aan I’ve Been Loving You Too Long. Daaruit bleek dat hij het arrangement had uitgewerkt als een kerklied. “Ik heb een klassieke opleiding gekregen en ben lang kerkorganist geweest”, vertelde hij, “Die ervaringen heb ik gebruikt, ook in Try A Little Tenderness. De akkoordenopbouw bestaat uit klassieke bewegingen in kerkliederen.”

Een opmerkelijke live versie van I’ve Been Loving You Too Long is die op het Monterey Pop Festival in 1967, twee jaar voor Woodstock. Het evenement gaat de geschiedenis in omwille van het opmerkelijke concert van Jimi Hendrix waarbij hij zijn gitaar in brand stak. Op 16 juli 2014 heb ik hier uitgebreid uit de doeken gedaan dat dat geen vandalisme was. Wie niet kan terugbladeren op de blog, bezorg ik het graag via mail. Het was op dat festival dat Otis Redding, overigens begeleid door Booker T. & The MG’s, blanke aanhang won. Ik geef de clip hieronder mee. Op een gegeven moment blijft hij de ‘break’ maar herhalen om het publiek op te hitsen. Zo doet Bruce Springsteen het vandaag nog altijd.

Uit de titel van I’ve Been Loving You Too Long zou je kunnen afleiden dat de verteller in de song een relatie wil afbreken. Niets is minder waar. Waarschijnlijk om die indruk te vermijden, wordt hier en daar de titel wel eens verlengd tot I’ve Been Loving You Too Long (To Stop Now). Ja, er zit sleet op de verhouding, zoveel is duidelijk. ‘You are tired and you’re love is growing cold’. Maar terwijl zij graag ‘free’ wil zijn, is zijn ‘love growing stronger’. Wat ik erin hoor is een smeekbede om bij elkaar te blijven en een uiting van onvoorwaardelijke liefde. In deze live versie wordt het op het einde overduidelijk. "I'm on my knees", voegt hij aan de oorspronkelijk tekst toe.

In functie van deze blog zit ik op een internetforum met Amerikaanse oldiesfans. Heel leuk is de reactie van iemand op deze song: “Welke vrouw zou na het beluisteren van zo’n aanzoek haar rijbroek niet afstropen?” Er stond 'britches', ik heb het moeten opzoeken. De persoon in kwestie gaf alleen een verkleinvorm van een voornaam prijs en die kan mannelijk of vrouwelijk zijn.

Welkom aan de lezers die hier terechtkomen via www.internetgazet.be

 

 

 

27-09-16

Dinsdag 27 september 2016

Watermelon Man

Sly & Robbie

 

200.000 NUMMERS

Vandaag viert de Jamaicaanse bassist Robbie Shakespeare zijn 63ste verjaardag. Hij wordt meestal in één adem genoemd met de iets oudere drummer Sly Dunbar. Ze werden allebei geboren in Kingston en hadden al een hele weg als sessiemuzikanten afgelegd toen ze halfweg de jaren zeventig het duo Sly & Robbie vormden. Ze traden niet alleen aan als ritmesectie, maar ook als platenproducers. Ook waren ze lid van de Compass Point All Stars, het huisorkest van de Compass Point Studios in Nassau op de Bahama’s, waar Chris Blackwell voor zijn label Island tal van klassiekers opnam.

Groot is de invloed van Sly & Robbie geweest op de ontwikkeling van de reggae. Ze werkten nieuwe stijlen uit, experimenteerden met elektronica en maakten overstapjes naar andere muziekgenres. In een biografie die Jo-Ann Greene schreef, wordt geschat dat ze aan zo'n 200.000 nummers hebben meegewerkt. Ze brachten niet alleen zelf platen uit – onder meer op hun eigen label Taxi Productions – maar waren ook te horen op tal van albums en singles van bekende reggaeartiesten als pakweg Peter Tosh, Jimmy Cliff, Bunny Wailer, Gregory Isaacs, Maxi Priest en Black Uhuru, een band van wie ik nog graag eens iets uit de elpee Red uit 1981 draai. Dat mag Sponji Reggae of Utterance zijn, maar het liefst de openingstrack Youth Of Eglington. Verder hadden Sly & Robbie de hand in verschillende songs van Chaka Demus & Pliers. Dat was ook het geval voor hun grote hit Tease Me.

Omwille van hun reputatie in het reaggewereldje werden de twee door janneke en mieke uitgenodigd in de studio. Vooral in de jaren tachtig waren ze veel gevraagd. Ze mochten meedoen op platen van – ik roep maar wat – Madonna, Marianne Faithfull, Sinéad O’Connor, Cyndi Lauper, Joan Armatrading, Simply Red, Jackson Browne en zelfs The Rolling Stones.

JukeSlySlySly.jpgToen Bob Dylan na enkele religieus geïnspireerde albums weer eerder persoonlijke thema’s wou aansnijden, huurde hij in 1983 Mark Knopfler van Dire Straits in voor Infidels, waarvan Jokerman ongetwijfeld het meest bekende nummer is. Maar Dylan vroeg ook nadrukkelijk om Sly & Robbie te engagaren als drummer en bassist.

 

JukeSlySly.jpgEen klassieker waarvoor de twee Jamaicanen deels verantwoordelijk zijn, is Nightclubbing, het succesalbum van de trouwens ook uit Jamaica afkomstige Grace Jones uit 1981. Er staan wereldhits op, zoals Pull Up To The Bumper en I’ve Seen That Face Before, een bewerking van Libertango van de Argentijnse bandoneonspeler Astor Piazzolla.

Toen Serge Gainsbourg met Aux Armes Et Caetera een veelbesproken reggaeversie van het Franse volkslied maakte, nam hij het op in Jamaica en nog wel met Rita Marley en – jawel, hoor – Sly Dunbar en Robbie Shakespeare. En wie horen we op Sheffield Steel van Joe Cocker in covers van Jimmy Cliff (Many Rivers To Cross), Bill Withers (Ruby Lee) en Steve Winwood (Talking Back To The Night)? Inderdaad, Sly & Robbie. Ze doen zelfs mee op Back To The Front van onze eigen Viktor Lazlo. Het eigenaardige aan die plaat is dat ze in Frankrijk onder de titel Verso verscheen. Daar hadden ook enkele songs een remake gekregen. Zo werd de single My Love ginder Ces Réves en It’s Over zelfs C’est Quoi Un Homme?.

JukeSly.jpgTer voorbereiding van deze bijdrage heb ik verschillende discografieën opgezocht. Vreemd genoeg steken er in mijn platenkast twee vinylschijven die op geen van die lijsten voorkomen. Zo is er Sly-Go-Ville dat in 1982 alleen onder de naam van Sly Dunbar uitkwam, terwijl Robbie Shakespeare ook mee deed. Op een van de nummers, een cover van Inner City Blues van Marvin Gaye, zingt Delroy Wilson, een inmiddels overleden reggaevedette die al als jonge tiener actief was en in Jamaica beschouwd werd als een kindsterretje. En dan is er de elpee met de ellenlange titel The 60’s, 70’s Into The 80’s = Taxi uit 1981. Die ‘into’ staat alleen op het label, niet op de hoes. Daar heeft men een soort rekensom van de decennia gemaakt (zie foto). Ik kan het nergens uit afleiden, maar ik veronderstel dat het een verzamelaar is. Ook heb ik nu pas op YouTube gemerkt dat er kennelijk een cd van bestaat. Opvallend is dat veel nummers instrumentale versies van overbekende songs zijn. Nu ja, er zijn wel stemmen te horen. Neem nu Watermelon Man van Herbie Hancock, het wordt schijnbaar geneuried of brommend gemompeld op een reggaeritme. In de tijd dat ik radioprogramma’s voor de BRT samenstelde, moest de laatste plaat bij voorkeur een ‘instrumental’ zijn, zodat die kon overlopen in de pieptonen van het nieuwsbericht. Vaak heb ik hun Watermelon Man daar voor gebruikt.   

 

Welkom aan de lezers die hier terechtkomen via www.internetgazet.be

 

 

 

 

26-09-16

Maandag 26 september 2016

Will The Wolf Survive?

Los Lobos

 

JukeWolf.jpgWOLVEN

Vandaag wordt Cesar Rosas 62 jaar. Met zijn zonnebril en sikje is hij zowat het meest herkenbare gezicht van Los Lobos. Die groep uit Los Angeles, die enkele Mexicanen in zijn rangen had, behaalde internationaal succes in 1987 toen ze voor een biopic over Ritchie Valens zijn La Bamba coverden. Het is niet voor ’t een of ’t ander, maar ik kende die band toen al lang. Ik ben zelfs de fiere bezitter van hun vinyl EP …And A Time To Dance, waarvan wereldwijd maar enkele duizenden exemplaren zijn verkocht. Het is onnodig een bod te doen, ik verkoop niet. Ook het prille By The Light Of The Moon draai ik nog wel eens. Dat ik dat werk zo vroeg ontdekte, is alleen maar te danken aan het feit dat ik altijd  fantastische platenboeren trof. Zij kwamen geregeld met suggesties die ik zelfs in de vakliteratuur niet vond. Ik heb ze hier al vermeld, maar het is tijd om hun namen nog eens te noemen: Guido Marchal van het ter ziele gegane Foon en Luc Bertels van Giga Swing in Hasselt.

Geïnspireerd door uiteenlopende genres zoals country, blues, zydeco en Tex-Mex hebben die gasten van Los Lobos heel diverse albums afgeleverd. Ik hou van Kiko, meestal omschreven als een a-typische cd voor hun doen. Maar ook recenter werk als Tin Can Trust kan ik waarderen. Op die plaat staat trouwens een prachtige cover van West LA Fadeaway van Grateful Dead. Toch zullen we How Will The Wolf Survive? uit 1984 maar hun meesterwerk noemen. Het is een productie van mijn idool T-Bone Burnett. O ja, Cesar Rosas was ook een lid van de Tex-Mex-supergroep Los Super Seven. Ook David Hidalgo, Flaco Jiminez en Freddy Fender deden mee.

Welkom aan de lezers die hier terechtkomen via www.internetgazet.be