31-10-16

Maandag 31 oktober 2016

Let It Be

The Beatles

 

BOODSCHAP AAN MARIA

Mary Mohan was nog maar 47 toen ze vandaag zestig jaar geleden aan kanker overleed. Haar zoon Paul McCartney was toen veertien jaar.Terwijl John Lennon zijn moeder in tal van songs opvoerde, heeft Macca het maar in één lied over haar: Let It Be. De song begint met ‘When I find myself in times of trouble, mother Mary comes to me, speaking words of wisdom, let it be.’ Het werd in 1970 de laatste single van The Beatles en de titeltrack van hun laatste album. JukeLet.jpg

Velen hoorden Bijbelverwijzingen in de tekst van Let It Be. Die ‘mother Mary’ kon ook de Heilige Maagd Maria zijn. ‘Le it be’ is trouwens een letterlijk citaat uit de Engelse versie van het Evangelie volgens Lucas. De woorden vallen bij de aankondiging van Jezus’ geboorte door aartsengel Gabriël, in Vlaanderen bekend als ‘Maria-Boodschap’. In het Nederlands is dat ‘Zie de dienstmaagd des Heren: mij geschiede naar Uw woord.’ In het Engels staat er: ‘Behold, I am the servant of the Lord, let it be to me according to your word.’ Ondermeer omwille van dergelijke connotaties vond John Lennon het liedje maar niks. Op de originele bandopname is te horen hoe hij schampere opmerkingen maakt voor het nummer van start gaat. Nochtans wist hij dat Paul McCartney het eigenlijk over zijn moeder had. In het boek ‘Anthology’ beweert Macca dat er een speciale band tussen Lennon en hem bestond, juist omdat ze allebei als tiener hun moeder hadden verloren.

Paul McCartney heeft ook een dochter die Mary heet. In een interview met The Guardian noemde die Let It Be haar favoriet Beatlesnummer. Daarbij liet ze niet na te vermelden dat haar moeder, Linda Eastman, backing vocals zong. Let It Be werd overigens gespeeld op Linda’s begrafenis.

Er bestaan talrijke covers van de song. Opmerkelijk is dat de uitvoering van Aretha Franklin als eerste verscheen. Zij zong het op het album This Girl’s In Love With You in januari 1970, twee maanden voor de plaat van The Beatles uitkwam. In 1987 nam Paul McCartney het nog eens op, toen met onder meer Kim Wilde, Gary Moore, Mark King van Level 42, Mark Knopfler, Boy George en Kate Bush. Onder de naam ‘Ferry Aid’ stond het drie weken op de eerste plaats in de Britse hitparade. Hier was nummer 2 de hoogste plek. De single was een caritatief initiatief ter ondersteuning van het slachtofferfonds van de ramp met de Herald Of Free Enterprise in Zeebrugge.

 

Welkom aan de lezers die hier terechtkomen via www.internetgazet.be

30-10-16

Zondag 30 oktober 2016

In Zaïre

Johnny Wakelin

 

JukeZaire.jpgDE BOKSMATCH

Op deze dag in 1974 werd in Kinshaha ‘the rumble in the jungle’ uitgevochten, de legendarische bokswedstrijd tussen Muhammad Ali en George Foreman. Het inspireerde de Britse zanger Johnny Wakelin om twee nummers te schrijven. De songs verschenen op het platenlabel Pye en waren het werk van producer Robin Blancflower, die zelfs van Kung Fu Fighting van Carl Douglas een hit kon maken.

Met Black Superman (Muhammad Ali), zijn ode aan de topbokser uit 1975, klom Johnny Wakelin meteen hoog op de hitladders. In enkele landen haalde hij zelfs de bovenste sport. Ali zelf vond het liedje maar niks. Opmerkelijk is dat de zanger het een jaar later nog beter deed met In Zaire, waarin de afloop van de boksmatch wordt onthuld: ‘And who was the victor in the night? Elijah Muhammad’s boy Ali won the fight.’ Elijah Muhammad was een Afro-Amerikaanse geestelijke leider die van 1934 tot aan zijn overlijden in 1975 aan het hoofd stond van de Nation Of Islam. Hij was de mentor van Malcolm X, Louis Farrakhan en Muhammad Ali.

Johnny Wakelin heeft In Zaire later in talrijke versies opgenomen. De meest opzwepende vullen nog altijd de dansvloer op bruiloften en partijen.

Welkom aan de lezers die hier terechtkomen via www.internetgazet.be

29-10-16

Zaterdag 29 oktober 2016

96 Tears

Question Mark & The Mysterians

 

JukeQ.jpgVRAAGTEKEN

Vandaag vijftig jaar geleden, zowat negen maanden nadat de single was uitgekomen, stond 96 Tears van Question Mark & The Mysterians op de eerste plaats in de Amerikaanse hitparade. Met zo’n naam – soms ook geschreven als ? & The Mysterians – leek de groep verstoppertje te spelen, al gingen de bandleden enkel verborgen achter donkere zonnebrillen. Ze hadden hun naam trouwens gehaald uit een Japanse science-fictionfilm waarin ‘marsmannetjes’ van de planeet Mysteroid de aarde komen veroveren. De man die zich ‘een vraagteken’ liet noemen, heette Rudy Martinez. Ook zijn broer Robert Martinez speelde mee, maar het geluid van de groep werd – zeker op 96 Tears – vooral bepaald door de Vox-orgel van Frank Rodriguez. Je hoort het, de band bestond uit Latino’s, ook al waren ze in Texas geboren.

Dat 96 Tears gecoverd werd door Joe ‘King’ Carrasco en later door The Texas Tornados kan niet verwonderen. Het nummer ademt Tex-Mex. En dat er uitvoeringen bestaan van The Cramps, The Stranglers, Suicide en Primal Scream mag evenmin verbazing wekken, want de song wordt gezien als een voorloper van garagerock en zelfs een aanzet tot punk. Als ik toch een cover moet kiezen, ga ik voor Garland Jeffreys. Die zette het in 1981 op zijn meesterwerk Escape Artist. Omdat er niet genoeg plaats op de elpee was, stonden er vier nummers op een bonussingle.

 

Welkom aan de lezers die hier terechtkomen via www.internetgazet.be

 

28-10-16

Vrijdag 28 oktober 2015

The Game Of Love

Wayne Fontana and The Mindbenders

 

JukeGame.jpgHET SPELLEKE

“The purpose of a man is to love a woman and the purpose of a woman is to love a man.” Velen kunnen The Game Of Love uit 1965 meezingen, maar weinigen weten dat Wayne Fontana de zanger is. Glenn Geoffrey Ellis is zijn echte naam en vandaag wordt hij 71. Het was echt toevallig dat hij als pseudoniem de naam van zijn platenlabel Fontana bezigde. Hij had die artiestennaam eerder al geleend van D.J. Fontana, die veertien jaar de drummer van Elvis Presley was. Zowel solo als met zijn band The Mindbenders heeft hij een aantal hitjes gehad. Um, Um, Um, Um, Um, Um bijvoorbeeld. En Pamela Pamela. Maar die zullen je waarschijnlijk niets zeggen. A Groovy Kind Of Love heb je ongetwijfeld wel eens gehoord.

Je zal het niet geloven, maar samples van The Game Of Love komen voor in de rapnummers Love Game van Eminem en My Brother’s A Basehead van De La Soul. Sylvie Vartan maakte er een Franstalige versie van: Quand Tu Es Là.

Het nummer is van de hand van Clint Ballard Jr, een Amerikaanse songwriter die nummers schreef voor Ricky Nelson, Frankie Avalon, The Hollies en The Zombies. Buiten het succes van Wayne Fontana mag hij nog twee pluimen op zijn hoed steken: het immer vrolijke stemmende Good Timin’ van Jimmy Jones uit 1960 en You’re No Good, origineel van Dee Dee Warwick, maar in 1975 een Amerikaanse nummer 1 in de uitvoering van Linda Ronstadt.

Welkom aan de lezers die hier terechtkomen via www.internetgazet.be

 

27-10-16

Donderdag 27 oktober 2016

Toscane

Philip Catherine

 

OP DE VINGERS KIJKEN

Vandaag wordt Philip Catherine 74. Nu Toots Thielemans er niet meer is, erft hij de titel van ’s lands grootste jazzartiest. Dat hij niet Philippe Cathérine heet – zoals zijn naam wel eens verkeerd wordt gespeld – komt omdat hij in Londen werd geboren als zoon van een Britse moeder en een Belgische vader. Hij kreeg muziek met de paplepel binnen. Zijn opa speelde eerste viool in het London Symphony Orchestra. Onder invloed van het Franse chanson, van onder meer George Brassens, en de ‘gypsy jazz’ koos hij echter voor de gitaar. Op dat instrument werd hij een meester. Van in de jaren zestig speelt hij een centrale rol in de Europese jazz. Vaak als ‘teamplayer’ die zich graag ten dienste stelt van andere artiesten. Zo is hij te horen op platen van jazzcracks als Dexter Gordon, Stéphane Grapelli, Jean-Luc Ponty en Charles Mingus, die hem in een verwijzing naar Django Reinhardt ‘Young Django’ noemde. Maar hij stak de genregrenzen over en speelde ook pakweg met Buddy Guy en Robert Wyatt. Een tijdlang verving hij zelfs Jan Akkerman in de Nederlandse progrockband Focus. Heel de jaren tachtig was hij lid van Chet Baker Trio, live en in de studio. Hij speelt gitaar op vijf elpees van die legandarische trompettist.

Op het einde van de jaren zestig maakte Philip Catherine jazzrock met zijn inmiddels overleden vriend Marc Moulin. Ik leerde die man kennen als radiomaker bij de voorloper van Classic 21, als producer van Lio (Banana Split), Anna Domino, Viktor Lazlo en Jacques Duvall (daar moet ik nog eens een plaat van opleggen), en als lid van Telex, berucht om hun deelname aan het Eurovisiesongfestival. Maar jazz was zijn eerste liefde. Met Marc Moulin nam Philip Catherine in 1971 zijn eerste soloplaat op, Stream. Zijn officiële website is daar duidelijk over, terwijl minder betrouwbare bronnen – om de Nederlandstalige Wikipedia niet te noemen – ervan uitgaan dat hij pas in 1974 debuteerde met September Man.

jukePhilip.jpgOnlangs had ik het uitzonderlijke genoegen een huiskamerconcert van Philip Catherine te mogen meemaken. Ja, je leest het goed, hij kwam gewoon spelen in de living van P. en F. Dat koppel organiseert thuis vaak jazzconcerten en heeft de crème van de Belgen in het genre al over de vloer gehad. Uit het blote hoofd vermeld ik Ben Sluijs, Bart Defoort en Jeroen Van Herzele. Deze keer was wel een heel grote klepper ingegaan op hun uitnodiging.

Enigszins verlegen stapte hij op het beperkte gezelschap toe. Zelden zal het publiek hem van zo dichtbij op de vingers hebben gekeken. Het had iets aandoenlijk, de manier waarop hij aanvankelijk sukkelde met de geluidsinstallatie. Hij gebruikt een met de voeten bediend apparaat dat fragmenten van het nummer opneemt en daarna afspeelt zodat hij bovenop dat thema een solopartij kan spelen. Gelukkig was er een buurman die kon bijspringen om de juiste stekker in het juiste gaatje te steken. Wat daarna, voor een muisstil publiekje, gebeurde, was onvergetelijk. Ik ben mij ervan bewust dat ik iets unieks heb beleefd.

Philip Catherine laste een pauze in. Om iets te drinken, suggereerde hij, maar hij wou ook graag wat cd’s verkopen. Dat herinnerde mij aan John Mayall, de blueslegende die ik na een optreden met een geldbeugel op de buik zijn plaatjes zag verkopen. Je kan je niet voorstellen dat dergelijke helden zich bijna tot de bedelstaf moeten verlagen. Maar, ja, het is blijkbaar wel het geval.

Mijn vriend F., die meer dan ik thuis is in de jazzwereld en al lang een Catherine-adept is, was zo blij dat ik hem had uitgenodigd voor dit exclusief gebeuren, dat hij mij absoluut een cd wou schenken. De meeste gasten kozen voor zijn jongste productie, de vorige jaar verschenen The String Project. In het oudere werk dat Philip Catherine had meegebracht, ontdekte F. nog één exemplaar van Transparence. Die moest het worden. “Hoewel dertig jaar oud is dat nog altijd mijn favoriete plaat van u”, zei hij tegen zijn gitaargod. De gemakkelijkste plaats om de hoesfoto te signeren was op de witte broek van een haast onherkenbaar jonge Philip Catherine. Hij vroeg mijn naam en lachte dat hij die in zijn kruis zou schrijven. We babbelden wat, onder meer over Toots Thielemans. Misschien begon hij daarom, meteen daarna, zijn tweede set met Bluesette. Hij moedigde het spontane geneurie aan. Hier en daar was er iemand die floot. Spijtig dat het niet is opgenomen, maar daar ontstond iets. “Dat was de blues”, zei ik later tegen de gastheer. Philip Catherine vertelde dat hij Toots nog had opgezocht, twee dagen voor zijn dood. Hij was nog helder van geest en had grappen verteld. Van die visser met één arm. “Ik heb een snoek gevangen die zo groot was…” Hij had het over ‘Toetseke’, zo noemde hij hem altijd, en hij keek omhoog. Daarna speelde hij L’Eternele Desir, een track uit het album dat ik net cadeau had gekregen. Dan volgde Toscane. Ik moest mijn ogen niet sluiten om het glooiende landschap in Italië te zien.

Na afloop poseerde hij graag met fans. Toen ik naast hem stond, vroeg hij weer mijn naam. “Och, ja”, reageerde hij meteen, “je hebt me al gezegd hoe je heet.” Met een glas wijn in de hand bleef ik nog wat nababbelen met andere ‘hangenblijvers’. Toen ik naar buiten liep, was Philip Catherine nog altijd in zijn eentje bezig om zijn boel op te ruimen. Ik bedankte hem en wenste hem een veilige terugrit naar Brussel, waar hij nu woont. “Au revoir, André”, zei hij alsof hij wou aantonen dat hij mijn naam nog kende. We moesten allebei hard lachen. Het was nog maar eens het bewijs van wat ik al zo vaak heb ervaren: de grootste kunstenaars zijn de meest aimabele mensen. Alleen derderangsartiesten hebben kapsones.

  

Welkom aan de lezers die hier terechtkomen via www.internetgazet.be