16-08-16

Dinsdag 16 augustus 2016

Elvis Has Just Left The Building

Frank Zappa

 

ELVIS IS NAAR HUIS

Het is vandaag 39 jaar geleden dat Elvis Presley stierf. Met een knipoog naar de zin waarmee het publiek na zijn concerten naar huis werd gestuurd, zou je kunnen zeggen dat hij die dag ‘the building’ heeft verlaten. Frank Zappa gebruikte de uitdrukking daadwerkelijk op die manier in het satirische Elvis Has Just Left The Building, de openingstrack van het live album Broadway The Hard Way uit 1988, waarop nog andere bekende Amerikanen door de mangel worden gehaald. Op een van de tracks is – echt waar – is Sting te horen. JukeZap.jpg

Naast Zappa brachten ook John Wesley Harding, gospelfanaat JD Summer en countryzanger Jerry Reed nummers met een vergelijkbare titel uit. Reed nam trouwens nog meer odes aan Elvis op, misschien wel uit dank voor het feit dat Presley zijn Guitar man coverde. Het beroemde zinnetje wordt ook geparafraseerd in Calling Elvis van Dire Straits. ‘Did he leave the building or can he come to the phone.’

Al Dvorin is verantwoordelijk voor dit alles. Vanaf 1955 organiseerde hij 22 jaar lang de concerten van Elvis Presley. Hij trad daarbij ook op als aan- en afkondiger. In die hoedanigheid gebruikte hij altijd de uitdrukking ‘Elvis has left the building’ om de fans die op een bijkomend bisnummer aasden de zaal uit te jagen. Het was weliswaar concertpromotor Horace Lee Logan die de toverformule voor het eerst uitsprak, in 1956. Maar op alle bandopnames waarop die woorden te horen zijn, komen ze uit de mond van Al Dvorin. Het werd een ‘catchphrase’ die tot vandaag veel gehanteerd wordt, bijvoorbeeld door Amerikaanse commentatoren van sportwedstrijden, zoals tijdens een home run bij baseball.

Al Dvorin kwam om in een verkeersongeval toen hij op weg was naar huis na een concert van een… Elvis-imitator.

Welkom aan de lezers die hier terechtkomen via www.internetgazet.be

 

 

 

 

 

15-08-16

Maandag 15 augustus 2016

Woodstock

Crosby, Stills, Nash & Young

 

SJukeWood.jpgTERRENSTOF

‘And everywhere there was song and celebration.’ Op deze dag in 1969 begon het legendarische festival van Woodstock. Het was trouwens niet in Woodstock, maar in Bethel, volgens Google Maps toch anderhalf uur verder. David Crosby, Stephen Stills en Graham Nash hadden al in andere groepen aan de weg getimmerd, maar speelden daar pas voor de tweede keer samen voor een – wel heel groot – publiek. Neil Young vervoegde hen voor enkele nummers, maar weigerde in beeld te worden genomen. Het nummer Woodstock, dat ze later me z’n vieren op de elpee Déja Vu zetten, werd de generieksong van de beroemde documentaire film over de drie dagen van ‘love, peace and music’. De song was geschreven door Joni Mitchell. Deze singer-songwriter was uitgenodigd om op te treden, maar verscheen niet op het podium. Er wordt wel eens beweerd dat ze transportproblemen had, maar in werkelijkheid bleef ze weg op aanraden van haar manager, die vreesde dat ze een geplande televisieshow de dag erna zou missen. In haar hotelkamer volgde ze het nieuws over het festival en schreef ze het nummer Woodstock. Het verscheen op haar album Ladies Of The Canyon en stond op de B-kant van de bekende single Big Yellow Taxi. In Europa werd de song een hit in de uitvoering van Matthews’ Southern Comfort. Dat was de band van Iain Matthews, de voormalige zanger van Fairport Convention. ‘We are stardust, we are golden. And we’ve got to get ourselves back to the garden.’

Welkom aan de lezers die hier terechtkomen via www.internetgazet.be

 

 

 

 

14-08-16

Zondag 14 augustus 2016

Borriquito

Peret

 

JukeBorri.jpgDE VENTILATOR

Vandaag 45 jaar geleden stond Peret op de eerste plaats in de Nederlands Top-40 met Borriquito. Hij hield het liefst zeven weken vol op die plek. Veertien dagen later haalde hij ook de hoogste positie in de BRT Top-30, waar hij nog heel september op nummer 1 bleef staan. Je mag het gerust dé Europese zomerhit van 1971 noemen.

Neen, ik ben niet wild van dat liedje over een ezeltje. Maar ik heb er jeugdherinneringen aan omdat het vroeger thuis veel werd gedraaid. Het zat tussen een stapel singles die mijn oudere broer als het ware in bulk kocht van een cafébaas die geregeld zijn jukebox uitkuiste.

Peret heette Pedro Pubill Calaf. In Spanje kreeg hij de bijnaam ‘koning van de rumba’. Onder die titel – Rey De La Rumba – bracht hij in 2001 nog een album met gastartiesten uit. Lach niet: daar deed David Byrne van Talking Heads zelfs op mee.

Peret, die al als kind plaatjes opnam, werd in Spanje bekend om zijn opmerkelijke manier van gitaar spelen. Hij trommelde aan de voor- en achterkant van de klankkast en hij ging zo zwierig om met zijn instrument dat zijn speelstijl ‘el ventilador’ werd genoemd.

In Spanje heeft hij nog wat succesjes gekend, in de rest van de wereld niet. Ook niet toen hij in 1974 deelnam aan het Eurovisiesongfestival met Canta Y Sé Feliz. Dat jaar won ABBA met Waterloo.

In 1992 kende Peret nog een gloriemoment toen hij mocht optreden tijdens de slotceremonie van de Olympische Spelen in Barcelona. In die Catalaanse stad stierf hij op 27 augustus 2014 aan longkanker. Hij was 79 jaar.

Welkom aan de lezers die hier terechtkomen via www.internetgazet.be

 

 

 

 

13-08-16

Zaterdag 13 augustus 2016

Teenage Kicks

The Undertones

 

SAMEN JARIG

Eerlijk waar, bij collega’s en in mijn familie- en vriendenkring ken ik zeker zes mensen die verjaren op dezelfde dag als ik. Maar twee muzikanten uit eenzelfde groep die hun verjaardag delen, dat zal wellicht uitzonderlijk zijn. Toch zijn twee leden van The Undertones vandaag jarig. Zanger Feargal Sharkey wordt 58, bassist Michael Bradley 57.

The Undertones brachten hun debuutsingle Teenage Kicks in eigen beheer uit. Ze stuurden het singletje naar de invloedrijke BBC-dj John Peel die zo onder de indruk was dat hij het geregeld draaide in zijn programma, soms wel twee keer na mekaar. Toen John Peel in 2004 naar zijn graf werd gedragen, werd Teenage Kicks gespeeld. Op zijn tombe staat de beginzin van de song gebeiteld: ‘Are teenage dreams so hard to beat?’ JukeUnder.jpg

Op het einde van de seventies scoorden The Undertones meteen enkele hitjes. Na Teenage Kicks volgde snel Wednesday Week en – wat ik heel aardig vond – My Perfect Cousin, geïnspieerd op een echt neefje van een van de bandleden. ‘What I like to do, he doesn’t.’ Hoewel mijn tienerjaren toen al voorbij waren, liep ik ook met dat gevoel rond. Mijn favoriete citaat uit ‘Steppewolf’ van Herman Hesse was: ‘En wat mij overkomt in mijn schaarse uren van plezier, wat voor mij zaligheid, een beleving, extase en verheffing is, dat kent en zoekt en bemint de wereld ten hoogste in gedichten, in het werkelijke leven vindt de wereld het gek.’ Dat geldt trouwens vandaag nog altijd, niet het minst op het vlak van muziek. Om terug bij mijn onderwerp te komen, My Perfect Cousin was de eerste song die Michael Bradley voor de band schreef. Er zouden er nog volgen.

JukeUnder2.jpgAanvankelijk werden The Undertones ingedeeld bij de punkrock. De woede in hun teksten en de garagegitaren hadden er wel wat van, maar als je hun werk vandaag beluistert, komt het allemaal toch nogal gepolijst over. Op hun latere opnames – ze hebben maar vier albums op hun naam – zijn duidelijke soulinvloeden te horen en op hun in Nederland ingeblikte elpee Positive Touch uit 1981 doet zelfs een blazerssectie mee. In die tijd stelde ik voor de BRT radioprogramma’s samen en meer dan één track uit Positive Touch belandde op mijn playlists: When Saturday Comes, It’s Going To Happen en het rustig kabbelende Julie Ocean. Voor het eerst verwerkten ze in hun teksten de ‘Troubles’ waarin ze waren opgegroeid in het Noord-Ierse Derry. It’s Going To Happen gaat bijvoorbeeld over de hongerstakers in de Maze-gevangenis. Net op de dag dat Bobby Sands, de meest bekende van de IRA-actievoerders achter tralies, stierf, moesten The Undertones het nummer brengen in het televisieprogramma ‘Top Of The Pops’. Enkele groepsleden droegen daarom een zwarte armband.

Officieel speelt Michael Bradley nog altijd met The Undertones, want de groep werd heropgericht in 1999 en schijnt nog altijd te bestaan. Maar hij is tegenwoordig vooral bezig als producer en radiomaker. Feargal Sharkey stapte al in 1983 uit de groep. Eerst zong hij Never Never bij The Assembly, na Depeche Mode, Yazoo en Erasure het zoveelste elektroproject van Vince Clark. Het duurde nog tot 1985 voor Sharkey succes kon boeken als soloartiest. Achteraf beschouwd, heeft hij maar twee hits gehad: A Good Heart en You Little Thief. Die staan allebei op zijn naamloos debuut – track 1 en 2, nota bene – en ze hebben ook op een heel merkwaardige manier met elkaar te maken. Ik heb het hier al eens verteld, maar herhaal graag deze leuke anekdote. Het zijn songs die op elkaar antwoorden. Het begon met A Good Heart, een nummer van Maria McKee. Het grote publiek kent haar van het zagerige Show Me Heaven, ik was wild van haar in de tijd dat ze bij Lone Justice zat en stevig countryrockend uit de hoek kon komen. Soit, zij had die song geschreven om haar breuk met Benmont Tench te verwerken. Tench, de toetsenman van Tom Petty’s Heartbreakers, sloeg hard terug met You Little Thief. En dat werd ironisch genoeg het enige andere succesje van Feargal Sharkey.

Welkom aan de lezers die hier terechtkomen via www.internetgazet.be

 

 

12-08-16

Vrijdag 12 augustus 2016

You Talk Too Much

Joe Jones

 

KLUSJES

Vandaag negentig jaar geleden werd Joe Jones geboren. Hij verdient een plekje in onze kroniek als originele uitvoerder van You Talk Too Much. In de tijd dat ik veel naar Hilversum 3 luisterde, leerde ik die song kennen in de versie van het Nederlandse duo Spooky & Sue. Hun single stond in 1975 acht weken in de Nederlandse Top-40 en piekte op de zevende plaats. Nu weet ik dat het eigenlijk een klassieker uit New Orleans is. Het nummer werd geschreven door Reginald Hall, de schoonboer van Fats Domino. De ‘Fat Man’ wou het echter niet op plaat zetten en zo werd het in 1960 een hit voor Joe Jones.JukeJones.jpg

Zijn volgende platen verkochten niet en Joe Jones klaarde dan maar allerlei klusjes in de muziekbusiness. Hij trad op als manager van R&B-bands, speelde als sessiemuzikant en was zelfs een tijdlang de persoonlijke kamerdienaar van B.B.King. Verder probeerde hij zich op oneigenlijke wijze auteursrechten toe te eigenen. Zo beweerde hij dat hij It Ain’t My Fault en Carnival Time had geschreven, terwijl dat traditionals uit het ‘Mardi Gras’-repertoire waren. Ook claimde hij de auteur te zijn van het vaak gecoverde Iko Iko, een song over een stammentwist tijdens het carnaval in New Orleans. Die song heette oorspronkelijk Jock-A-Mo en werd in 1953 op single gezet door Sugar Boy and his Cane Cutters. Die Sugar Boy heette eigenlijk James Crawford en hij had de tekst geschreven op muziek van Lloyd Price. In 1965 maakten The Dixie Cups er zonder bronvermelding een grote hit van onder de titel Iko Iko. James Crawford ondernam juridische stappen tegen het meidentrio, dat ook bekend is van Chapel Of Love, maar kwam uiteindelijk buiten de rechtbank om tot een regeling waarbij hij de royalties deelde met de drie zangeressen. Joe Jones, die The Dixie Cups had ontdekt, slaagde erin de auteursrechten van Iko Iko buiten de Verenigde Staten op zijn naam te zetten. Dat leidde weer tot nieuwe rechtszaken. Pas in 2002, drie jaar voor de dood van Joe Jones, oordeelde een rechter in New Orleans dat alleen Crawford en The Dixie Cups de auteurs van Iko Iko zijn.

Welkom aan de lezers die hier terechtkomen via www.internetgazet.be