16-09-17

Zaterdag 16 september 2017

Get It On

T.Rex

 

DE DOOD KOMT MET DE AUTO

Vandaag veertig jaar geleden kwam Marc Bolan om in een verkeersongeval. Het gebeurde veertien dagen voor zijn dertigste verjaardag. U kent hem als frontman van T.Rex, een Britse band die in de jaren zeventig een halssnoer pareltjes afleverde, waaronder Hot Love, Get It On, Jeepster, Telegram Sam, Metal Guru, 20th Century Boy en Children Of The Revolution.

Op een dag liet Marc Bolan zich fotograferen met wat glitter op de kaken. Hij had het blinkende goedje gevonden bij de make-up van zijn vrouw. Snel pikten andere muzikanten en hun fans dat idee op. En zo werd glamrock geboren.

JukeRex.jpgNochtans was Marc Bolan akoestisch en folkachtig begonnen. Als artiestennaam koos hij trouwens de eerste en de laatste letters van Bob Dylan, zijn grote voorbeeld. In het echt heette hij Mark Feld. Hij heeft trouwens nog tal van andere pseudoniemen uitgeprobeerd. Zonder veel succes nam hij in de sixties solo, in een duo en met diverse formaties platen op. Het tij keerde toen een van zijn groepen Tyrannosaurus Rex werd gedoopt. Nadat ze in 1970 de elpee T.Rex hadden uitgebracht, werd de naam van de band op dezelfde manier ingekort. Toen werd ook een eerst hit gescoord: Ride A White Swan. Naar dat nummer werd nadrukkelijk verwezen tijdens zijn uitvaart. Op de kist stond een bloemstuk in de vorm van een witte zwaan.

Marc Bolan verliet zijn vrouw voor een affaire met een van zijn achtergrondzangeressen, Gloria Jones. Het was zij die op die rampzalige dag aan het stuur zat van de purperen Mini, die van de weg geraakte en tegen een plataan kwakte. Een plataan heet in het Engels ‘a sycamore tree’. Echt een mooi woord en dan ook zeer geliefd bij tekstdichters. Heel lang is de lijst van nummers waarin zo’n boom voorkomt. Het meest bekende voorbeeld is waarschijnlijk de zin ‘Birds singing in the sycamore tree’ uit Dream A Little Dream Of Me, ontzettend vaak gecoverd, maar het meest succesvol in de versie van The Mamas & The Papas.

Marc Bolan had nooit leren auotrijden. Hij was was zelfs een beetje bang in wagens. Toch bezat hij een hele verzameling vierwielers, waaronder een witte Rolls-Royce. Ook had hij het in zijn songteksten opvallend veel over auto’s. In Jeepster zegt hij tegen zijn liefje: ‘Just like a car you’re pleasing to behold. I’ll call you Jaguar if I may be so bold’. In Get It On is ze zelfs ‘built like a car’. Gelijkaardige vergelijkingen komen voor in 20th Century Boy. En in Children Of The Revolution rijdt hij in zijn Rolls ‘because it’s good for my voice’. Achteraf beschouwd is het wel erg bitter dat hij net in een verkeersongeval om het leven moest komen. Trouwens, ook Steve Currie, de bassist van T.Rex, stierf in een autobotsing.

 

Welkom aan de lezers toe hier terechtkomen via www.internetgazet.be

 

 

 

 

 

15-09-17

Vrijdag 15 september 2017

Birmingham Sunday

Joan Baez

Rhiannon Giddens

 

VIER MEISJES

Een minuut stlte, alstublieft. Op deze dag in 1963 ontploften vijftien dynamietstaven in de 16th Street Baptist Church in Birmingham (Alabama), een kerk die bekend stond als ontmoetingsplaats voor leden van de zwarte Burgerrechtenbeweging. Vier meisjes, tussen elf en veertien jaar, stierven. Het was een zondag en de slachtoffertjes waren zich aan ’t omkleden voor een viering waarin ze A Love That Forgives zouden zingen. Hun lichamen vlogen als voddenpoppen door de lucht en meer dan twintig andere aanwezigen werden gewond. Het was een aanslag van de Ku Klux Klan, het terrorisme van ‘white supremacy’ dat tot vandaag actueel is. Martin Luther King noemde het een ‘tragic crime against humanity’. In segregatietijden werd het een keerpunt in de strijd voor gelijke rechten en heeft het gewogen op het realiseren van de ‘Civil Right Act’ in 1964.

JukeJoan1.jpgJukeJoan2.jpgJullie kennen me ondertussen, deze geschiedenisles leidt naar een song. De veel te jong gestorven folkzanger Richard Fariña, schreef er het prachtige Birmingham Sunday over, een song waarin hij de namen van de meisjes noemde. ‘And the choirs kept singing of freedom.’Op 30 april, de verjaardag van zijn overlijden, heb ik het nog over hem gehad. Zijn schoonzus Joan Baez nam het nummer in 1964 op voor haar elpee Joan Baez 5 en dat werd later de titeltrack van de documentaire ‘4 Little Girls’ die Spike Lee over de gebeurtenissen maakte. Ook in de film ‘Selma’, onlangs nog op televisie, wordt dit verhaal vermeld. Ik raakte opnieuw onder de indruk van de song bij het beluisteren van de jongste cd van de onvolprezen Rhiannon Giddens, Freedom Highway. Al van toen ze nog bij de Carolina Chocolate Drops zat, volg ik haar. Noem mij gerust een fan. Ik heb haar ook al met veel plezier live aan het werk gezien, zoals altijd op blote voeten. Zelfs toen ik haar na afloop in de bar sprak, droeg ze geen schoenen. Ik zei haar dat ze daarmee de traditie hoog hield van artiesten als de Hammondorgelvirtuose Rhoda Scott en de Kaapverdische zangeres Cesária Evora, die de ‘Diva op Blote Voeten’ werd genoemd. In de veronderstelling dat ze die toch niet zou kennen, liet ik notoire schoeiselhaters als Sandie Shaw, Ozark Henry en Gregory Frateur van Dez Mona onvermeld. Zelf wist ze te vertellen dat Joan Baez in het begin van haar carrière ook blootsvoets optrad.

 

Welkom aan de lezers die hier terechtkomen via www.internetgazet.be

 

 

 

 

 

 

 

14-09-17

Donderdag 14 september 2017

Mambo No 5

Perez Prado

 

HET STEEKT NIET OP EEN MAMBO

Op deze dag in 1989 overleed Perez Prado, de man die de mambo wereldwijd verspreidde. Officieel heet hij Dámaso Pérez Prado, op zijn platenhoezen staat er nu eens een accent op de eerste ‘e’, dan weer niet. Laat ons het er maar zonder doen, dat tikt vlotter.

Perez Prado werd geboren in Cuba, maar nam het staatsburgerschap van Mexico aan nadat hij in dat land een succesvolle band was begonnen. Snel specialiseerde hij zich in de mambo, een variant van de Cubaanse danzón. Hij werd zelfs de koning van de mambo genoemd, een verwijzing naar de albumtitel Il Re Del Mambo. Voor wie zich wil verdiepen in Latijns-Amerikaanse muziekstijlen kan ik de boeken ‘De klank van de houten druppel’ en ‘Tussen vrijheid en beteugeling – Van rumba tot salsa’ van oude makker Huib Billiet aanbevelen. JukePrado.jpg

Hoewel er tal van andere versies van bestaan, zijn er een aantal nummers die me altijd aan Perez Prado herinneren. Toen ik nog een kind was, hadden we platen van hem in huis. In de jaren vijftig was Latijns-Amerikaanse muziek heel populair, ook hier. Denk maar aan het orkest van Nico Gomez, de vader van Raymond van het Groenewoud. Jack Kerouac heeft het zelfs over dansen op muziek van Prado in zijn klassieker ‘On The Road’ uit 1957.

Bij hem waren het instrumentale nummers, maar vaak werden ze ook bekend in gezongen versies. Zo was er zijn zelfgeschreven nummer 1 Patricia uit 1950, later nog door Perry Como gecoverd en te horen tijdens de stripteasescène in ‘La Dolce Vita’ van Federico Fellini. Nog bekender is Cherry Pink And Apple Blossom White, oorspronkelijk Cerisier Rose Et Pommier Blanc van Jacques LaRue en Louis Gugliemi. Perez Prado maakte zijn versie in 1954 voor de film ‘Underwater!’ met Jane Russell. Opvallend is de trompetsolo van Billy Regis. De single bleef liefst tien weken lang op de eerste plaats staan in de Amerikaanse hitparade. Ik heb hier nog een leuke versie op de elpee Butt Rockin’ van The Fabulous Thunderbirds uit 1981. 

En dan is er nog Mambo No 5, bij jongere mensen vooral bekend in de versie van Lou Bega, die gewoon een Duitser was, overigens. Hij schreef er een tekst over een lange lijst liefjes bij. Dat gaat van Angela en Pamela over Sandra en Erica tot Tina en Jessica, als het maar eindigt op een ‘a’. Er komt ook een Monica in voor en – hoewel op de conventie van de Democraten in 2000 nog vaak gedraaid – was de song daarom taboe tijdens de verkiezingscampagne van Bill Clinton.

Hoe laag ze in Groot-Brittannië kunnen vallen, bleek nog maar eens toen Mambo No 5 in 2001 een nummer 1 werd in de uitvoering van… Bob de Bouwer.

Maar het origineel was dus van het orkest van Perez Prado. Hij had het trouwens zelf op papier gezet. Tja, hij schreef zo veel mambo’s, hij kon er niet altijd titels voor bedenken. En dus begon hij zijn composities maar te nummeren. Naast Mambo No 5 is ook Mambo No 8 bekend, maar gelukkig niet gecoverd door Lou Bega.

Welkom aan de lezers die hier terechtkomen via www.internetgazet.be

 

 

 

 

 

 

 

13-09-17

Woensdag 13 september 2017

Spinning Wheel

Blood, Sweat & Tears

 

DE CIRKEL IS ROND

Vandaag viert David Clayton-Thomas zijn 76ste verjaardag. Nadat hij van Toronto naar New York was verhuisd, werd deze Canadees de zanger van Blood, Sweat & Tears, een Amerikaanse jazzrockformatie die uit liefst acht muzikanten bestond, onder wie vier blazers die de karakteristieke sound van de band bepaalden. Clayton-Thomas sloot wel pas aan bij de groep nadat stichter Al Kooper was opgestapt. Het gezelschap gaf de indruk met een propere lei te willen beginnen. Daarom noemden ze de eerste elpee met de nieuwe zanger gewoon Blood, Sweat & Tears, wat de verkeerde indruk wekte dat het om hun eerste worp ging. Het album dat in december 1968 uitkwam, bevatte drie grote hits. And When I Die was een cover van de onvolprezen Laura Nyro en You Made Me So Very Happy was oorspronkelijk een Tamla Motown-productie van Brenda Holloway. Het meeste succes was er voor Spinning Wheel en dat was een compositie van David Clayton-Thomas zelf. Als entree kon dat tellen.JukeBlood1.jpg

‘What goes up, must come down’, begint de song die van voor tot achter een metafoor is voor levenscycli, de rondjes die elke mens draait. Niet alleen het spinnenwiel wordt als symbool gebruikt, ook de paardenmolen: ‘Ride a painted pony’. Vooral in dit fragment is te horen dat de auteur zich liet inspireren door The Circle Game van Joni Mitchell, een nummer met eenzelfde thema en met de zin ‘The painted ponies go up and down’. Joni Mitchell was een landgenote en David Clayton-Thomas kende haar al voor ze een plaat had uitgebracht. Pas in 1970 nam ze The Circle Game zelf op, maar toen waren er wel al versies van Buffy Saint-Marie en Tom Rush.

Op de elpee duurt Spinning Wheel meer dan vier minuten, op de single werd de song teruggebracht tot 2’39”. Niet alleen een trompetsolo, maar ook het vreemde slot werden eruit geknipt. Ze eindigden namelijk met O, Du Lieber Augustin, een Oostenrijks volksdeuntje uit het begin van de negentiende eeuw. Je hoort de drummer Bobby Colomby “That wasn’t too good’ zeggen, waarna de anderen in lachen uitbarsten. Nooit was het de bedoeling die spielerei op te nemen, maar de studiotechnicus had de band laten lopen.

Spinning Wheel werd een grote hit in 1969 en Blood, Sweat & Tears was dus een gegeerde groep voor de organisatoren van Woodstock. Samen met Jimi Hendrix bood men hen de hoogste gage van iedereen op de legendarische festivalaffiche. “Achteraf maakte dat wel niets uit”, heeft Clayton-Thomas eens gezegd, “want uiteindelijk is geen enkele artiest betaald voor zijn optreden op Woodstock.”

Beluister het hieronder eens, maar niet te lang, hé, je hoort het meteen in de intro. Milli Vanilli plunderde ongegeneerd Spinning Wheel voor hun hit All Or Nothing uit 1990. Je kan niet anders verwachten van zo’n fake clubje. David Clayton-Thomas kreeg het te horen van de tienerzoon van een vriend. Hij won een proces en staat sedertdien ook vermeld als componist van het Milli Vanilli-liedje.

Er bestaan echter ook tal van legale covers van Spinning Wheel, opmerkelijk vaak van zangeressen. Ik beperk de opsomming tot Peggy Lee, Shirley Bassey, Barbara Eden en Nancy Wilson. Met Barry Gibb als producer nam P.P.Arnold in 1970 ook een versie op, maar die werd nooit uitgebracht. En wat lees ik nu vandaag in het jongste nummer van het muziekblad Mojo? Het gaat er alsnog van komen. Op 6 oktober verschijnt Arnolds cd The Turning Tide. Daar zullen niet alleen haar ‘lost’ opnames met Barry Gibb op staan, maar ook enkele nummers met Eric Clapton. Nadat ze had opgetreden met Delaney & Bonnie & Friends werd ze in mei 1970 uitgenodigd als studiozangeres voor een sessie met naast Clapton ook drummer Jim Gordon, bassist Carl Radle en toetsenist Bobby Whitlock. “Those where in fact the first recordings of Derek And The Dominos”, lacht ze in Mojo. 

 

 

Welkom aan de lezers die hier terechtkomen via www.internetgazet.be

 

 

 

 

 

12-09-17

Dinsdag 12 september 2017

Bony Moronie

Larry Williams

 

TWEEDE LEVEN JukeLarry.jpg

Het is vandaag zestig jaar geleden dat Larry Williams de single Bony Moronie uitbracht. Williams tokkelde al heel jong op de piano, belandde in de band van Lloyd Price en ging helemaal op in de typische speelstijl van New Orleans, zijn geboortestad. Dat is goed te horen op zijn eerste plaatjes, zoals pakweg High School Dance. Maar na Short Fat Fannie, zijn eerste Amerikaanse nummer 1, schreef hij regelrechte rock-‘n-roll klassiekers, als Bony Moronie in 1957, Dizzy Miss Lizzy in 1958 en She Said Yeah in 1959. Heel dat repertoire heeft later een tweede en zelfs een derde bestaan beleefd. Eerst werd Larry Williams gecoverd door vroege rockers als Bill Haley en Johnny Burnette. Maar zijn She Said Yeah werd opgenomen door The Rolling Stones en The Animals. Van Bony Moronie bestaan versies van onder meer The Who, Dr. Feelgood en Johnny Winter. Eerst als The Quarrymen en later als The Beatles speelden Paul McCartney en co die song geregeld tijdens optredens, maar daar bestaan geen opnames van. John Lennon zette het wel op zijn album Rock ‘n’ Roll in 1975. Hij nam ook Dizzy Miss Lizzy op, een song die The Beatles in 1965 als slottrack op de elpee Help! hadden laten persen. De Fab Four hebben trouwens nog andere composities van Larry Williams ingeblikt: Slow Down – in 1964 een track op het Britse ep’tje Long Tall Sally en op de Amerikaanse elpee Something Else – en Bad Boy. Dat laatste nummer, te vinden op het album Beatles VI, werd op 10 mei 1965 opgenomen. Dat was nota bene de verjaardag van Larry Williams.

 

 Welkom aan de lezers die hier terechtkomen via www.internetgazet.be