11-04-17

Dinsdag 11 april 2017

This Note’s For You

Neil Young

 

JukeNote.jpgEN DAN NU... RECLAME

‘Ain’t singin’ for Pepsi, ain’t singin’ for Coke’. Neil Young laat er geen twijfel over bestaan in de titeltrack van This Note’s For You, een elpee die op deze dag in 1988 werd uitgebracht. Bij hem zijn de reclamejongens aan het verkeerde adres. The Rolling Stones zetten de deuren wagenwijd open. In 1981 waren ze bij de eerste bands die hun concerten lieten sponsoren. Eerst kwam de naam van parfummerk Jovan Musk op de tickets te staan, daarna volgende elke tournee weer een andere multinational. In 1995 werden Jagger en co rijkelijk betaald door Microsoft om Start Me Up uit te lenen voor de lancering van Windows 95. Ook Michael Jackson gaf graag de toestemming voor het gebruik van Billy Jean en Bad in commercials voor Pepsi. Meer, hij liet de tekst van die songs aanpassen voor de clips en speelde er zelf in mee. Bij de opnames van zo’n filmpje vatte zijn haar vuur en liep hij brandwonden op. In de video bij de song van Neil Young ondergaat een Jacko-imitator hetzelfde lot. Uit schrik dat ze Jacksons advocaten over de vloer zouden krijgen, weigerde MTV daarom aanvankelijk This Note’s For You uit te zenden.

Van 1986 tot 2003 gebruikte het jeansmerk Levi’s songs van allerlei genres in hun audiovisuele advertenties. Het moet gezegd, de marketingafdeling had een goede smaak. Omdat ze via die televisiereclame weer in de belangstelling kwamen, werden oude nummers dikwijls opnieuw uitgebracht en soms zelfs weer een hit. Wonderful World van Sam Cooke werd dankzij het jeansmerk 26 jaar nadat de single verscheen alsnog een nummer 1. Iets gelijkaardigs gebeurde met Stand By Me van Ben E. King. Maar ook pakweg The Joker van Steve Miller Band, 20th Century Boy van T.Rex, Should I Stay Or Should I Go van The Clash, Underwater Love van Smoke City en Whine And Grine van Prince Buster werden gebruikt om broeken te verkopen. Levi’s vulde verzamelplaten met die songs.

Naast Neil Young is ook Bruce Springsteen wars van reclame. Toen een Gents communicatiebedrijf de toelating vroeg om Fire te gebruiken in een radiospotje voor een nieuw gps-systeem kreeg het dan ook een njet van de Boss. Daarop besloot men zelf iets te componeren, maar dat leek zo hard op het origineel dat een veroordeling voor plagiaat volgde.

Welkom aan de lezers die hier terechtkomen via www.internetgazet.be

 

 

10-04-17

Maandag 10 april 2017

Stir It Up

The Wailers

 

JukeWailer1.jpgLOOP NAAR DE HEL

Vandaag viert Neville O’riley Livingston zijn zeventigste varjaardag. Deze Jamaicaan heeft een voorname rol gespeeld in de ontwikkeling van de reggae de jongste decennia. We kennen hem als Bunny Livingston, Jah B voor de intimi. Aanvankelijk liet hij zich Bunny Wailer noemen omdat hij een van de stichtende leden van The Wailers was, samen met Peter Tosh en Bob Marley. Die drie waren niet alleen jeugdvrienden, ook enigszins familie van elkaar. De gescheiden vader van Bunny Wailer woonde samen met de gescheiden moeder van Bob Marley. We zouden hen dus stiefbroers kunnen noemen. En Peter Tosh had een zoon met een zus van Bunny Wailer. Verder ingaan op de liefdesaffaires in dat wereldje zou ons te ver leiden. Ik wil enkel nog meegeven dat Bob Marley op dit gebied alle records brak door op drie dagen twee keer vader te worden.

The Wailers hadden al vier elpees uit toen ze in 1973 twee doorbraakalbums afleverden. Burnin’ met onder meer I Shot The Sheriff en Catch A Fire, waarvan de B-kant opende met Stir It Up. Kenners noemen die laatste productie een van de beste reggaeplaten aller tijden.

JukeWailer2.jpgOmdat Bob Marley meer en meer aandacht kreeg, stapten Peter Tosh en Bunny Wailer op in een poging een solocarrière op de rails te zetten. De groep werd toen herdoopt tot Bob Marley and The Wailers. Onder die naam werd Catch A Fire in 1974 opnieuw uitgebracht, deze keer met een foto van Bob Marley op de cover, een dikke joint tussen de lippen (foto 2). De oorspronkelijke hoes (foto 1) zag eruit als een Zippo en klapte ook open zoals zo’n aansteker. De titel sloeg echter niet op een vuurtje geven of krijgen. ‘Catch a fire’ betekent eigenlijk ‘loop naar de hel’. Dat is wat Marley de slavendrijvers toeroept op de tweede track, Slave Driver. ‘The table is turn, catch your fire, you gonne get burn.’

Terwijl Peter Tosh erin slaagde internationale populariteit te vergaren, lukte dat Bunny Livingston niet echt. Toch blijft hij bekend als een reggaelegende. Trouwens, hij is nog altijd actief. In 2014 stond hij nog op het podium op Reggae Geel.

Welkom aan de lezers die hier terechtkomen via www.internetgazet.be

 

 

 

 

09-04-17

Zondag 9 april 2017

La-La (Means I Love You)

The Delfonics

 

JukeDelfonics.jpgTUSSEN HAAKJES

Vandaag acht jaar geleden overleed Randy Cain, een van de originele leden van The Delfonics. Het vocale trio was prominent aanwezig in ‘Jackie Brown’ van Quentin Tarantino. Niet alleen als achtergrondmuziek, ook in de dialogen. Het titelpersonage draait een plaat van hen en wekt daarmee de aandacht van een man – een privédetective, meen ik mij te herinneren – die een oogje op haar heeft laten vallen. Hij koopt meteen wat cassettes van The Delfonics om in zijn auto te spelen. Ik ging met enkele vrienden in 1997 naar die film kijken. Na het bioscoopbezoek trokken we thuis wat flessen open om na te praten. Het gezelschap, van wie iedereen aanzienlijk jonger was dan ik, ging uit van de veronderstelling dat The Delfonics een fictieve groep was, bedacht door de scenarioschrijver. Tot er een van de nummers uit de prent door de kamer klonk. Ik herinner me nog goed de verwonderde reacties: “Wa-a-a-a-t? The Delfonics bestaan echt, of wat? En gij hebt daar platen van.” Als verrassing kon dat tellen.  

The Delfonics timmerden al een tijdje aan de weg, ook onder andere groepsnamen, toen ze in 1968 succes boekten met La-La (Means I Love You). Zo stond het op het singlehoesje. Hun debuutelpee heette wel La La Means I Love You. Maar dat kan ook een foutje van de drukker zijn geweest. Andere hits waren Break Your Promise en vooral Didn’t I (Blow Your Mind This Time), ook te horen in ‘Jackie Brown’.

Jongeren die nog nooit van The Delfonics hebben gehoord, zullen hun muziek toch al dikwijls zijn tegengekomen. Hun werk werd vaak gecoverd door beroemdheden als Aretha Franklin, Dionne Warwick en The Jackson 5. Maar fragmenten uit hun songs zijn ook heel veel gesampled. Door Wu-Tang Clan, door Missy Elliott, door The Notorious B.I.G. Heel bekend is hun Ready Or Not Here I Come (Can’t Hide From Love) in de versie van Fugees. Ja, nu valt het mij ook op: ze hadden wel dikwijls titels met onderdelen tussen haakjes.

Welkom aan de lezers die hier terechtkomen via www.internetgazet.be

 

 

 

 

 

08-04-17

Zaterdag 8 april 2017

Ne Me Quitte Pas

Jacques Brel

 

JukeBrel1.jpgPARIJSE SPOREN

Op deze dag in 1929 werd Jacques Brel in Schaarbeek geboren. In een poging zijn carrière op de rails te krijgen, trok hij in het begin van de jaren vijftig naar Parijs. Ik weet er nu alles over want ik las onlangs met veel plezier het boek ‘Tussen reis en roots’ (Beefcake Publishing) van Erik Brusten, een gerenommeerde reisjournalist die onder meer in De Standaard Magazine publiceert. Tijdens een serie citytrips gaat hij op zoek naar sporen die Belgen in het buitenland hebben nagelaten. Een Madrileense bar die ‘t Cafeeke heet, een Waalse vrouw die in de harem van een Ottomaanse sultan terechtkwam, een achttiende-eeuws operahuis in München dat ontworpen werd door een Belgische architect, een straat in Sevilla die naar ene De Pelsmaeker werd vernoemd. Je kan met het boek in de hand een stadswandeling maken, maar je kan – net als ik heb gedaan – de onderhoudende verhalen ook in je luie zetel lezen. In een van de hoofdstukken verkent hij Parijs in het zog van Jacques Brel. “Wie dat wil overdoen, kan best niet te lang wachten,” adviseert de auteur. “De Parijse sporen van Brel worden vluchtiger naarmate de jaren verstrijken.” Neem nu Hotel Picardy op de hoek van de Rue Dunkerque, zijn eerste verblijfplaats als hij in de Franse hoofdstad arriveert. Aan de receptie valt men uit de lucht: “Ons heeft men dat nooit verteld.”

Brel leefde in hotels. We komen er dan ook veel tegen in het verhaal van Erik Brusten. De luxehotels Plaza Athénée en George V, letterlijk zijn ultiem onderdak, staan er nog, maar hotel Idéal in de Rue des Trois Frères is inmiddels verdwenen. Een beetje verderop vinden we wel nog de wijnbar La Cave à Jojo. Dat is een verwijzing naar de bijnaam van Brels boezemvriend Georges Pasquier, die van grote invloed op hem is geweest. Hij heeft zijn vliegtuig naar hem genoemd en over hem het nummer Jojo geschreven.

In het steegje Cité Lemercier bevond zich vroeger Hotel du Chalet. Daar woonde Brel van 1958 tot 1961. En daar heeft hij onder meer Ne Me Quitte Pas op papier gezet. Hij heeft het altijd als een pied-à-terre beschouwd, zelfs toen hij met zijn zeiljacht op wereldreis was vertrokken. Hij bleef stipt de huur betalen, vandaar dat zijn koffiezetapparaat bleef staan, dat zijn partituren en zelfs een teddybeer er bleven liggen. Pas na zijn dood is zijn vrouw die spullen komen ophalen. Ooit heeft het Parijse stadsbestuur de plannen gehad om dit doodlopend straatje achter een poort in een minder bekend stadsdeel te herdopen tot Cité Brel. Dat is er vooralsnog niet van gekomen.

JukeBrel2.jpgJacques Brel werd naar Parijs gehaald door de uit Bulgarije afkomstige Jacques Canetti, de broer van schrijver en Nobelprijswinnaar Elias Canetti. Die was niet alleen directeur van het platenlabel Polydor, een Philips-dochter, maar ook theaterdirecteur. Hij liet Brel optreden in zijn club Les Trois Baudets. Vandaag staat er een appartementsgebouw, maar het cabaret, zoals ze zulke huizen in Parijs noemen, heeft enkele straten verder een nieuw leven gekregen.

Zoals de Vlaamse schlagerzangers nu verschillende optredens op een avond afhaspelen, moest Jacques Brel, bij gebrek aan een vast contract, in zijn Parijse begindagen kleine optredens in clubs en cafés aan elkaar rijgen. Het verschil is wel dat hij geen snelle bak met chauffeur ter beschikking had, maar de avondlijke verplaatsingen met de fiets of de solex deed. De meeste van die cabarets zijn intussen verdwenen of hebben een andere bestemming gekregen. Het siert de artiest dat hij op die locaties is blijven optreden toen hij uiteindelijk toch naam had gemaakt en L’Olympia kon platwalsen. Erik Brusten haalt het legendarische afscheidsoptreden in die chansontempel aan. Het was oktober 1966 en hij zong de ziel uit zijn lijf. Hij stond te wenen en zijn tranen vermengden zich met de zweetparels op zijn gezicht. Nooit deed hij bisnummers, maar nu werd hij keer op keer teruggeroepen door een uitzinnig publiek dat bleef rechtstaan. Op de dvd van dat concert is te zien hoe hij – inmiddels al onder de douche geweest – nog een laatste keer in zijn kamerjas tussen de gordijnen verschijnt. Dan laat hij zich, niet gespeend van ironie, “ça justifie quinze années d’amour” ontvallen. “Hij had een lange weg moeten afleggen voor hij het kritische Parijs publiek had kunnen overtuigen”, denkt Erik Brusten over die uitspraak.

Welkom aan de lezers die hier terechtkomen via www.internetgazet.be

 

 

07-04-17

Vrijdag 7 april 2017

Ik Kan Het Niet Alleen

De Dijk

 

EEN DIJK VAN EEN BAND

Op deze dag in 1989 werd Ik Kan Het Niet Alleen van De Dijk de duizendste Alarmschijf bij Veronica. Het is niet mijn lievelingsnummer, maar zij zijn wel mijn favoriete formatie in Nederland en omstreken. Met niet weinig zin voor overdrijving noem ik ze wel eens de Hollandse E Street Band. Ze hebben net hun zeventiende album in zowat dertig jaar klaar, rond de jaarwisselingen staan ze vaak met vijftien tot twintig songs in de Top-2000 en hun prijzenkast barst van Edisons, Gouden Harpen, platina platen en andere onderscheidingen. Vreemd eigenlijk dat ze in Vlaanderen nauwelijks of niet bekend zijn. Ook al hebben ze een prachtige cd die Brussel heet en in die stad werd opgenomen. Thuis kan ik bezoekers vaak aangenaam verrassen met een track van hen en toen ik op een party eens, bij wijze van adempauze, hun topper Mag Het Licht Uit? draaide, werd ik overrompeld met vragen over wie die groep wel mocht zijn. Iemand meende Clouseau te herkennen. Dat vond ik een belediging.

JUkeDijk.jpgPop en rock, blues en soul, af en toe zelfs chanson. Het valt allemaal in elkaar in het vaak rijkelijk georkestreerde en heel gevarieerde repertoire van De Dijk. Dat heeft te maken met hun manier van songschrijven. Het begint altijd met een tekst van zanger Huub van der Lubbe. Vervolgens gaan alle muzikanten daar apart mee aan de slag. Dat levert dan verschillende songs met eenzelfde tekst op. En uiteindelijk kiezen ze daar de beste uit. Om hun studioconstructies live waar te maken, staat er altijd wel een man of tien op het podium. Het wordt allemaal mooi uit de doeken gedaan in de documentaire ‘Hou Me Vast – De Dijk’ van Suzanne Raes, die in 2011 in Nederlandse bioscopen liep en ik in 2014 op televisie zag. In die film is veel aandacht voor hun album Hold On Tight dat ze in 2010 samen met de Amerikaanse soullegende Solomon Burke opnamen. Je ziet hoe de corpulente zanger in een rolstoel de studio wordt binnengebracht om de titeltrack in te blikken, een Engelstalige versie van Hou Me Vast. Men had hem een demo gestuurd, die had hij niet beluisterd. Men had hem de tekst gemaild, die had hij niet gelezen. “Maar dat is geen probleem”, lachte Burke, “laat de band maar draaien.” En inderdaad van de eerste keer stond het nummer er perfect op. Hij begon op het einde zelfs spontaan een soort parlando te improviseren, waarbij hij wat titels van oude soulnummers vermeldde. Zo is het ook op de plaat blijven staan. Omdat de song wel wat airplay kreeg, werd besloten een gezamenlijk tournee van De Dijk en Solomon Burke op te zetten. Op 10 oktober 2010 vloog de zanger daarom naar Nederland. Maar bij zijn aankomst in Schiphol bleek hij overleden in het vliegtuig.

 

 

 

Welkom aan de lezers die hier terechtkomen via www.internetgazet.be