28-02-17

Dinsdag 28 februari 2017

Close (To The Edit)

The Art Of Noise

 

KNIPPEN EN PLAKKEN

Op deze dag in 1983 begon The Art Of Noise aan de opnames van hun eerste langspeler (Who’s Afraid Of?) The Art Of Noise!. Met Close (To The Edit), Moments Of Love en Beat Box werden liefst drie tracks een hit op single. Vooral dat laatste nummer jaag ik er op party’s nog eens graag door in een van de vele remixes die ik op maxisingle heb.

JukeArt1.jpgThe Art Of Noise kon bezwaarlijk een band worden noemen. Het was eigenlijk een team medewerkers van de bekende 80’s-producer Trevor Horn. Samen hadden ze onder meer The Lexicon O Love van ABC en Welcome To The Pleasuredome van Frankie Goes To Hollywood gemaakt. Studiotechnicus Gary Langan was erbij, computerprogrammeur J.J. Jeczalik en keyboardspeelster Anne Dudley. Het gezelschap werd aangevuld met Paul Morley, een voormalige NME-journalist die de bandnaam bedacht en allerlei andere ideeën aansleepte. Ook schreef hij enkele liedjesteksten, maar veel woorden had hij daar niet voor nodig, het waren voornamelijk instrumentale songs. “Ik was de Ringo Starr van de groep”, grapte Paul Morley ooit. “Ik zette thee.”

Kraftwerk, maar dan met meer rock en new wave. Zo omschreven critici de producties van The Art Of Noise, die tot vandaag geprezen worden als innovatieve technopop-klassiekers. Dat in de clip van Close (To The Edit) onder meer een piano, een viool, een contrabas en een saxofoon aan gruzelementen werden geslagen, was veelbetekenend. Aan hun muziek kwam nauwelijks een instrument te pas. Ze dankten hun sound aan de Fairlight CMI, een in Australië uitgevonden computer die via een klavier digitaal opgeslagen geluiden – samples, weet je wel – aan elkaar kon hangen. Trevor Horn was de eerste producer om dit speelgoed te gebruiken. De nieuwe technologie stelde hem in staat om met collages van geluiden muziek te maken.

JukeArt3.jpgJukeArt2.jpgIn het besef dat ze eigenlijk geen band waren, lieten ze zich aanvankelijk niet herkenbaar fotograferen. Een beetje zoals Daft Punk, verschenen ze verkleed met donkere zonnebrillen of maskers in het openbaar. Op mijn exemplaar van (Who’s Afraid Of?) The Art Of Noise! staan niet voor niets twee grote maskers afgebeeld (foto 1). Er bestaan echter verschillende andere hoesontwerpen (foto 2 en 3).

De meer dan tien minuten durende sensuele loungesleper Moments Of Love was eerder al op de EP Into The Battle With The Art Of Noise verschenen. Beat Box stond daar trouwens ook op, zij het in een andere mix. Vandaar dat de song op het album Beat Box (Diversion One) heet. Het schijnt dat er samples van Rosanna van Toto in verwerkt zijn. Ik kan ze er wel niet uithalen. De stevige drumpartij waarop het nummer drijft, is een bewerking van het slagwerk dat Alan White leverde voor Owner Of A Loneley Heart van Yes, de openingstrack van hun album 90125. Trevor Horn was de producer van die plaat.

The Art Of Noise heeft tot in 2000 bestaan in wisselende samenstellingen, ooit zelfs een tijdje met Lol Creme van 10cc. Eerlijk gezegd ik had hun gimmick toen wel gehad en verloor ze uit het oog. Wel vernam ik nog dat ze een Grammy kregen voor hun versie van Peter Gunn, met de medewerking van de originele uitvoerder Duane Eddy. Ook Tom Jones’ succesversie van Kiss van Prince kwam uit hun computers.

Voor zo ver ik het op basis van mijn platen kan beoordelen, lieten deze meesters van het knippen en plakken de herkomst van hun samples niet op hoezen vermelden. Zelf werden ze wel met naam en toenaam co-auteurs van Firestarter van The Prodigy, gewoon omdat daar een door Anne Dudley geroepen ‘hey’ uit Close (To The Edit) in is verwerkt.

 

Welkom aan de lezers die hier terechtkomen via www.internetgazet.be

 

 

 

 

 

 

27-02-17

Maandag 27 februari 2017

Birds

Linda Ronstadt

 

DE TROUBADOURS ZIJN IN DE STAD

The Troubadour bestaat zestig jaar. Deze muziekclub in West Hollywood (Los Angeles County) heeft door de jaren heen een belangrijke rol gespeeld bij de lancering van tal van beroemde rockartiesten. Oorspronkelijk maar een koffiebar aan La Cienega Boulevard verhuisde de horecazaak kort na de opening naar een voormalige Jaguar-showroom op Santa Monica Boulevard. Voor als je in de buurt bent: het huisnummer van de nog altijd goed draaiende club is 9081.

Het begon met folk- en bluesartiesten in de jaren zestig en via de singer-songwriters van de jaren zeventig ontstond hier de countryrock. Het talent stond vooral op tijdens de zogenoemde ‘open mic’, het vrij podium van maandagavond dat onder de titel ‘Hootenanny’ werd georganiseerd. Joni Mitchell debuteerde er in 1968, Carole King zong er in 1970 You’ve Got A Friend in première en The Byrds speelden er voor het eerst Mr Tamboourine Man. Het was trouwens door rond te hangen in The Troubadour dat Roger McGuinn en David Crosby elkaar ontmoetten, wat ter plekke leidde tot de oprichting van The Byrds. Ook de oorspronkelijke bezetting van Eagles ontstond daar aan de toog. Ze traden er op met de aankomende Linda Ronstadt, terwijl Jackson Browne met The Nitty Gritty Dirt Band jamde. Het eerste Amerikaanse concert van Elton John was in The Troubadour. Hij trad er enkele dagen na mekaar op en was een week later een ster. Ook Tom Waits vond hier een wipplank. Eerst speelde hij covers, maar vanaf 1970 ook eigen werk, dat twee jaar later op zijn debuutalbum Closing Time verscheen. De hoesfoto’s van die elpee werden trouwens in The Troubadour genomen.

Nadat de club een nachtvergunning had gekregen en een toelating om sterke drank te serveren, sprong Jim Morrison wel eens binnen. The Doors hadden een kantoor om de hoek. Janis Joplin sloeg er wel eens eentje te veel achterover. Zij hing er aan de bar op de avond voor haar overlijden. John Lennon en zijn vriend Harry Nilsson werden er eens dronken aan de deur gezet.

JukeT2.jpg

JukeT3.jpgJukeT4.jpgThe Troubadour evolueerde mee met de muzieksmaak. In de jaren tachtig werd het publiek er getrakteerd op new wave, punk en hardrock. Het was hier dat Guns N’Roses voor het eerst optrad. Op de website van de club worden voor de volgende maanden heel diverse optredens van onder meer Sheryl Crow (Sold out), Strand Of Oaks, Rodney Crowell, G. Love & Special Sauce en Balkan Beat Box aangekondigd. De jongste jaren zijn actuele Britse band hier kind aan huis, zoals Coldplay, Franz Ferdinand, Arctic Monkeys en Bastille. Maar er is nog altijd ruimte voor verstilde singer-songwriters, zodat pakweg Robyn Hitchcock, Ray LaMontagne en Joanna Newsom hier graag spelen. Sarah Jarosz nam er enkele jaren geleden nog een live album op. Er werden wel meer platen ingeblikt in The Troubadour. Denk maar aan Live van Donny Hathaway uit 1972 en Live At The Troubadour 1969 van Tim Buckley, zij het pas in 1994 uitgebracht. Ook het bekende live dubbelalbum It’s Too Late To Stop Now van Van Morrison werd voor een deel hier in 1974 op band gezet. Op de elpee Linda Ronstadt, die in de Benelux uitkwam onder de titel Linda Ronstadt And Friends, staan drie tracks die live werden opgenomen in deze legendarische muziekclub in maart 1971. Het gaat om Rescue Me, I Fall To Pieces en – wat we hier draaien – Birds, een song van Neil Young die in 1970 op zijn elpee After The Goldrush stond. Achter Linda Ronstadt horen we zowel in de zangpartijen als op gitaren en drums de originele Eagles Glenn Frey, Don Henley en Randy Meisner.

PS / De informatie voor deze bijdrage komt voor het leeuwendeel uit het magazine Uncut, dat in de editie van april 2017, die nu in de winkel ligt, een uitgebreid artikel over de geschiedenis van The Troubadour publiceert.

 

Welkom aan de lezers die hier terechtkomen via www.internetgazet.be

 

26-02-17

Zondag 26 februari 2017

Without Love

Johnny Cash

HALLO, IK BEN JOHNNY CASH

JukeC.jpgVandaag 85 jaar geleden werd Johnny Cash geboren. Ik heb het hier natuurlijk al vaak over hem gehad, laat mij daarom deze keer wat vertellen uit het boeiende boek ‘Unfaithful Music & Disappearing Ink’, de met veel tongue-in-cheek door hemzelf geschreven memoires van Elvis Costello. In december 1979 bracht hij de kerstvakantie door bij zijn vriend Nick Lowe in een Victoriaans optrekje in Sheperd’s Bush. Lowe was enkele maanden eerder getrouwd met Carlene Carter, de stiefdochter van Johnny Cash. Eigenlijk heet ze Rebecca Smith. Met haar pseudoniem verwijst ze naar de familienaam van haar moeder June Carter, de grote liefde van Johnny Cash, en naar de voornaam van haar vader Carl Smith, een van de meest succesvolle countryzangers in de jaren vijftig. Wat Costello niet had verwacht, was dat Nick en Carlene hun schoonouders op bezoek hadden. Meer, toen hij aanbelde, kwam ‘the man in black’ de deur openen. Hij stak zijn hand uit en zei: “Hello, I’m Johnny Cash.” Elvis Costello vertelt de anekdote onderkoeld, maar met binnenpret. Niet alleen omdat hij wel goed wist wie er voor hem stond, maar ook omdat Cash hem aansprak met precies hetzelfde zinnetje waarmee hij zich tijdens concerten en televisieprogramma’s voorstelde. In 1970 bracht hij trouwens een elpee uit met de titel Hello, I’m Johnny Cash.

JukeC2.jpgToen Elvis Costello zijn countryelpee Almost Blue opnam in Nashville, werd hij uitgenodigd bij Cash thuis. De woning aan het meer van Hendersonville stak vol memorabilia. Ik vertaal de altijd geestige Costello vrij: “Aan een muur hingen foto’s van Johnny met zowat elke Amerikaanse president sedert Lincoln.” Op een dressoir stond een singletje uitgestald als in de vitrine van een platenwinkel. Het was Cry, Cry, Cry op het legendarische label Sun, Johnny’s eerste hit. Toen Cash hoorde dat Costello een cover van die song had opgenomen, nam hij het kleinood van het rekje, pakte een balpen, schreef er ‘To Elvis, Your Friend, Johnny Cash’ op en overhandigde het hem.

Elvis Costello heeft jaren later June Carter nog eens ontmoet in het huis van Nick Lowe en Carlene Carter. Ik vertaal weer: “Bij het stofzuigen droeg ze een hoofddeksel van nerts en ze had ruim bemeten rubberen handschoenen over de grote ringen aan haar vingers getrokken.”

Terug naar de kerstvakantie van 1979, waarmee we waren begonnen. Johnny Cash nam toen Without Love op in de studio die Nick Lowe in zijn kelder had laten bouwen. Het werd een track op zijn elpee Rockabilly Blues uit 1980. Drummer van dienst was Pete Thomas, de trommelaar van Elvis Costello & The Attractions. Opmerkelijk – of toch weer niet – is dat ook Dave Edmunds meedeed. Die speelde trouwens gitaar op de originele versie die Nick Lowe – ook de auteur van deze song – in 1979 op de elpee Labour Of Lust zette.

Welkom aan de lezers die hier terechtkomen via www.internetgazet.be

 

 

 

 

 

 

25-02-17

Zaterdag 25 februari 2017

Faron Young

Prefab Sprout

 

EEN MOOIE HERINNERING

JukeFaron1.jpgJukeFaron2.jpgVandaag 85 jaar geleden werd Faron Young geboren, een countryvedette uit de jaren vijftig die bezongen wordt door Prefab Sprout in Faron Young, een track op het album Steve McQueen. Eerlijk gezegd, wis ik ook aanvankelijk niet over wie of wat die song wel ging. Pas toen ik door had dat Paddy McAloon niet ‘for’, maar ‘four in the morning’ zong, snapte ik dat hij het over het fenomeen nachtradio had. Bovendien was het een verwijzing naar It’s four in the morning, een van de meest bekende hits van Faron Young. Tussen 1954 en 1962 nam die talrijke honky-tonkklassiekers op, waaronder de eerste hitversie van Sweet Dreams van Don Gibson en Hello Walls van Willie Nelson. Een andere knaller, die ik op een van de cd’s van Theme Time Radio Hour met dj Bob Dylan heb staan, is Live Fast, Love Hard, Die Young. Misschien was het wel in een poging zich aan die aanbevelingen te houden dat Faron Young in 1996 zelfmoord pleegde. Zijn as werd uitgestrooid op het domein van Johnny Cash en June Carter aan Old Hickory Lake net buiten Nashville. De vierde regel uit Live Fast, Love Hard, Die Young heeft hij in elk geval waargemaakt: ‘And leave a beautiful memory’.  

Welkom aan de lezers die hier terechtkomen via www.internetgazet.be

 

 

 

 

24-02-17

Vrijdag 24 februari 2017

The One In The Middle

Manfred Mann

 

DE MAN IN HET MIDDENJukeMan.jpg

Paul Jones viert vandaag zijn 75ste verjaardag. Hij heeft een cv om curriculum vitae tegen te zeggen. Hij begon mondharmonica te spelen met Elmo Lewis, die eigenlijk niemand minder dan Brian Jones was. Het scheelde niet veel of hij was de zanger van The Rolling Stones geworden. Het was in de tijd dat die band zich langzaam aan het vormen was en Mick Jagger nog niet was opgedoken. Maar Paul Jones – die eigenlijk Paul Pond heet – sloot aan bij Manfred Mann en scoorde in de eerste helft van de sixties hits met meezingers als Hi-LiLi Hi-Lo of Do-Wah-Diddy Diddy,maar ook met doodernstig materiaal, zoals een machtige pianoversie van With God On Our Side van Bob Dylan. Omdat hij de zanger was, werd hij als de ‘band leader’ beschouwd, maar dat was natuurlijk organist Manfred Mann. Daarom schreef Jones met niet weinig ironie en zelfspot The One In The Middle, een song waarin hij met naam en toenaam uitlegde wie welke instrumenten speelde. 'The one in the middle, sings hey diddle diddle, God, he's just a pretty face.' Op de hoesfoto poseerde hij in het middelen. En het werd nog een Britse nummer 1 ook.

In 1979 was Paul Jones een van de stichters van The Blues Band, een groep die ik meteen opnam in de playlists die ik in die dagen samenstelde voor de BRT. Het leverde mij de gelegenheid op om hen te interviewen voor een radio-uitzending, doch kan me geen woord herinneren van wat er toen gezegd werd. Ik bleef elpees van The Blues Band kopen, maar haakte af toen ik de indruk kreeg dat ze in herhaling vielen. Tegelijk verloor ik Paul Jones uit het oog. Hij trad op in musicals en bracht wat solowerk uit, weet ik nu. Dankzij het fenomeen internetradio kwam ik hem opnieuw tegen. Hij presenteerde toen een bluesprogramma op BBC Radio 2.

 Welkom aan de lezers die hier terechtkomen via www.internetgazet.be