17-01-18

Woensdag 17 januari 2018

The Blues

Randy Newman & Paul Simon

 

IEDEREEN DEED MEE

Vandaag 35 jaar geleden bracht Randy Newman de elpee Trouble In Paradise uit. Het was zijn zevende album. Ik was een fan van het eerste uur, heb zijn oudste elpees in huis en luister nog geregeld naar bijvoorbeeld 12 Songs uit 1970. Ik kocht in die tijd al zijn platen en draaide veel tracks in de radioprogramma’s die ik toen voor de BRT samenstelde.

JukeNewman.jpgTerwijl ik dit schrijf, ligt de binnenhoes van Trouble In Paradise naast me. Uit de kleine lettertjes blijkt dat zowat iedereen die ik in die dagen goed vond een bijdrage heeft geleverd. Laat me beginnen met de zangers en zangeressen. Zelf eerder een voordrager van teksten dan een zanger liet Newman zich omringen door de mooiste stemmen uit die tijd: Jennifer Warnes, Linda Ronstadt, Rickie Lee Jones, Don Henley van Eagles, Bob Seger, Christine McVie en Lindsey Buckingham van Fleetwood Mac. De reeks muzikanten is even indrukwekkend, zelfs als ik er maar een paar opsom. Nathan East, die ik later vaak met Eric Clapton heb gezien, speelde bas. Jeff Porcaro, een stichtend lid van Toto, zat achter de drums, terwijl Latijns-Amerikaanse percussionisten, onder wie de wereldberoemde Braziliaan Paulinho Da Costa, ook hun trommeltje roffelden. Bij de gitaristen zien we onder meer de namen van Steve Lukather, ook al van Toto, en Waddy Wachtel, een gerenommeerde sessiemuzikant die meedoet op tal van platen van pakweg Warren Zevon, Jackson Browne en James Taylor. En de even beroemde studiomuzikant Jim Horn – onder meer te horen op het legendarische Pet Sounds van The Beach Boys – speelde saxofoon.

De openingstrack I Love L.A. werd een hitje. Volgens sommigen had dat te maken met het feit dat de zomer daarna de Olympische Spelen in Los Angeles werden georganiseerd. Ik betwijfel dat. De altijd cynische Newman houdt niet van Los Angeles, ook al schreeuwt hij het uit. De overdrijving van zijn adoratie voor die stad is net de parodie. En hij schrijft meestal songs waarin een ik-persoon aan het woord is, maar dat is hij nooit zelf.

Het derde nummer op de A-kant is The Blues, ook hier vaak op de radio gedraaid, maar inmiddels een vergeten parel. Allerlei ellende wordt opgesomd. ‘He’s got the blues, this boy.’ Want zijn moeder bleef in een brand, zijn oom zit in de gevangenis, zijn beste vriend kwam om in een cafégevecht en zijn klein broertje is ‘selling his ass for a dollar’. Omdat het een duet is met Paul Simon – zijn medewerking heb ik tot nu achtergehouden – lijkt het alsof Randy Newman diens manier van liedjesschrijven parodieert. ‘He’s got the blues this boy, you can hear it in his music.’ Eigenlijk ben ik er vrij zeker van. Niet dat Simon het niet gesnapt heeft. Hij zag er zeker de grap van in en vond het ongetwijfeld leuk om mee te doen. Het was de tijd dat iedereen wou meedoen met Randy Newman.

 Welkom aan de lezers die hier terechtkomen via www.internetgazet.be

 

 

 

16-01-18

Dinsdag 16 januari 2018

What Difference Does It Make?

The Smiths

EEN VERSCHIL?

Of het een verschil maakt? Het zal wel zijn, dit nummer is bijna 35 jaar oud. Op 16 januari 1984 brachten The Smiths de single What Difference Does It Make? uit. Morrissey noemde het later een van de slechtste Smiths-songs, maar het werd wel de eerste grote hit voor de groep. Met de jingle-jangle openingsriff schreef Johnny Marr geschiedenis. Groot was het verschil met de plaatjes die toen in de hitparade stonden. Ik was meteen verkocht.

JukeSmiths.jpgWhat Difference Does It Make? was een voorloper van het naamloze debuutalbum dat een dikke maand later verscheen. Bij het vinyl exemplaar dat ik heb, zit een bonussingle die maar aan één kant kan gespeeld worden. Daar staat This Charming Man op. Ik draai nog graag de openingssleper Reel Around The Fountain, waarop Paul Carrack piano en orgel speelt.

Die zomer - is dat echt al zo lang geleden? - zag ik The Smiths op het festival Breekend in Bree. Het moet een van hun eerste concerten in België zijn geweest. Ik heb nog een foto van het agentschap Limbupress waarop ik in de ‘frontstage area’ sta, door een gammele nadarafsluiting van het publiek gescheiden. Ook Mark Coenegracht van Het Laatste Nieuws is te herkennen en Marc Vandermaesen, met wie ik toen programma’s maakte voor BRT 2 Omroep Limburg. Trouwe lezer André Convents, die er ongetwijfeld ook was, kan waarschijnlijk nog bijkomende informatie leveren. Morrissey rolde spastisch over het podium met een bos gladiolen in zijn kontzak. Ook al zou hij Heaven Knows I’m Miserable Now niet hebben gezongen, dan nog hadden we aan hem gezien hoe ellendig hij zich voelde.

De feiten zijn verjaard, ik mag ze nu wel bekennen: bij het verlaten van het terrein heb ik mijn backstagepasje gegeven aan een lief meisje dat me smeekte haar tot bij Morrissey te smokkelen. Ik weet niet of ze bij hem is geraakt, maar ik ben wel zeker dat zij hem niet heeft kunnen opbeuren.

 

 

 

15-01-18

Maandag 15 januari 2018

Smokin’ In The Boy’s Room

Brownsville Station

 

ROKEN ALS VORM VAN VERZET

Op deze dag in 1974 kreeg de Amerikaanse rockband Brownsville Station een gouden plaat voor Smokin’ In The Boy’s Room. Enkele dagen eerder had het plaatje zijn hoogste positie bereikt in de Amerikaanse hitparade, de derde plek.

JukeSmokin.jpgHet nummer werd geschreven door zanger en gitarist Cub Koda, die bij de opname ook mondharmonica speelde. Hij werkte er een halfuurtje aan en het duurde niet veel langer voor de groep het op band had staan. Het werd de afsluiter van hun derde album Yeah!. Aanvankelijk wou de platenfirma het niet op single uitbrengen, maar toen enkele radiostations de elpeetrack begonnen te draaien, stroomden de verzoeken binnen en volgde alsnog een release op 45 toeren. Het werd de grootste hit van Brownsville Station. Verwonderlijk was dat eigenlijk niet. Het rockte lekker en de tekst over stiekem roken in de jongenstoiletten op school werd een strijdlied voor opstandige jongeren. ‘Now, teacher, don’t fill me up with your rules.’

In 1985 werd Smokin’ In The Boy’s Room gecoverd door Mötley Crüe op het album Theatre Of Pain. Het werd hun eerste top-20-hit in de States.

PS / Ik gebruik de schrijfwijze Smokin’ In The Boy’s Room, zoals het op de hoezen van de elpee en de single staat. Taalkundig klopt dit nochtans niet. Dat moet eigenlijk ‘boys’ room’ zijn.  

Welkom aan de lezers die hier terechtkomen via www.internetgazet.be

 

 

 

 

14-01-18

Zondag 14 januari 2018

Let’s Stick Together

Bryan Ferry

 

LAAT ONS SAMENBLIJVEN

Op deze dag in 1999 vroeg het Texaanse model Jerry Hall de scheiding van Mick Jagger aan. Snel bleek dat hun wel erg romantische huwelijkplechtigheid op Bali eigenlijk niet wettelijk was. Ze hebben samen vier kinderen.

Het was op het einde van de jaren zeventig dat ze een relatie begonnen. De Stones-zanger was toen nog getrouwd met Bianca Pérez-Mora Macias, tot vandaag bekend als Bianca Jagger. Zij vroeg de echtscheiding aan omwille van Jaggers overspel met Jerry Hall. De geschiedenis herhaalde zich toen Hall vernam dat Jagger een kind had verwekt bij het Braziliaanse model Luciana Giminez.

JukeFerry.jpgJe snapt het, we bevinden ons in een wereld waar men het niet zo nauw neemt met de echtelijke trouw. Vreemd eigenlijk dat Jerry Hall opdook in Let’s Stick Together van Bryan Ferry. Daarin wordt letterlijk gezongen: ‘Well now the marriage vow is very sacred. The man put us together, now you want to make it stick together, come on, come on, let’s stick together. You know we made a vow not to leave one another never.”

Dat kwam zo. Tijdens een vakantie in Europa – zij was nog maar zestien – werd ze in Saint-Tropez gespot en uitgenodigd om als model te werken in Parijs. In die tijd deelde ze haar appartement met Grace Jones en Jessica Lang, die toen dezelfde job deden. Nog voor de jaren tachtig waren begonnen had ze op de omslagen van Elle, Vogue, Cosmopolitan en tutti quanti gestaan. Zelfs op de cover van Playboy. In 1975 – ze was toen negentien – belandde ze schaars gekleed op de hoes van Siren, een album van Roxy Music. In die tijd papte ze aan met Bryan Ferry. En zo kwam ze in de videoclip van Let’s Stick Together terecht. Dat was de titeltrack van de derde solo-elpee van Ferry, al deed de helft van Roxy Music mee en waren de helft van de songs bewerkingen van nummers van Roxy Music. De zanger speelde zelf mondharmonica en Chris Spedding is te horen op gitaar.

Onder de naam Let’s Work Together is de uitvoering van Canned Heat uit 1970 wereldberoemd. Maar het origineel werd in 1962 uitgebracht als Let’s Stick Together door Wilbert Harrison, de auteur van het lied. Die mens moet je kennen van Kansas City.

Voor iemand die in al zijn ‘boekskes’ heeft gestaan, verwondert het mij niet. Jerry Hall is sedert 2016 getrouwd met mediamagnaat Rupert Murdoch. Zij was toen 59 en hij 84. Je kan daar om lachen, maar ik heb nog een grappiger afsluiter. De tweelingzus van Jerry Hall heet Terry. Jerry en Terry! Wat voor ouders bedenken dat? Goed dat ze niet een jongen en meisje waren. Dan zou het misschien Tom en Jerry zijn geweest.

Welkom aan de lezers die hier terechtkomen via www.internetgazet.be

 

 

 

13-01-18

Zaterdag 13 januari 2018

Block Buster!

The Sweet

 

GLAMROCKTIJDEN

Vandaag 45 jaar geleden stond The Sweet op de eerste plaats in de Britse hitparade met Block Buster! Ze hadden eerder al hitjes gehad met Funny Funny, Poppa Joe en Wig Wam Bam, maar deze single werd hun grootste succes. The Sweet bestaat nog altijd, meer zelfs: de band is verdubbeld. Er toeren twee formaties onder die naam, een gevormd door gitarist Andy Scott en een ander rond bassist Steve Priest. Zanger Brian Connolly en drummer Mick Tucker hebben inmiddels het tijdelijke voor het eeuwige verwisseld.

JukeSweet.jpgBlock Buster! werd geschreven door Nicky Chinn en Mike Chapman, maar de eigenlijke producer was Phil Wainman, die later ook met XTC en The Boomtown Rats werkte. Op hun eerste plaatjes speelden de bandleden van The Sweet niet zelf, er werden studiomuzikanten ingehuurd. Nu wilden ze alles wel eigenhandig doen. Wainman stemde in, maar zette hen wel onder druk. De voorwaarde was dat zij even snel als de sessiemuzikanten zouden werken, anders moesten zij zelf de extra studiotijd betalen. Dat motiveerde kennelijk. “It was great, because they went in there mad as hell”, zei Wainman onlangs in het magazine Uncut. Ze zouden eens laten zien wast ze konden. Op één dag was de klus geklaard. Alleen de zangpartijen liepen wat uit. Connolly moest herhaaldelijk opnieuw beginnen. “Until he was blue in the face”, herinnert Steve Priest zich. Vervolgens ging Phil Wainman aan de slag. Van oorsprong een drummer paste hij het slagwerk aan, haalde er een wah-wah bij en diepte een sirene op uit zijn trukendoos. Dat loeiende begin was echt een aandachtstrekker, maar in de V.S. mocht het nummer zo niet op de radio worden gedraaid. Het sirenegeluid zou automobilisten in verwarring kunnen brengen.

Kort voor de release van Block Buster! kwam The Jean Genie van David Bowie uit. De Sweet-jongens schrokken zich een pruik toen ze die song hoorde. Hij was gebaseerd op precies dezelfde gitaarriff, eigenlijk een beetje een bluesstandaard. Zij overwogen ernstig om Block Buster! niet uit te brengen, maar de platenbazen hadden geen bezwaar. En kijk, de twee singles stegen zij aan zij in de hitparades. Uiteindelijke strandde David Bowie wel op nummer 2 terwijl The Sweet het hoogste schavotje bereikte. Jaja, The Sweet klopte David Bowie in de glamrocktijden. Tot vandaag weten Andy Scott en Steve Priest nog altijd niet hoe het precies is gelopen. Zij zoeken een verklaring in het feit dat zij en David Bowie bij hetzelfde platenlabel zaten. Misschien hebben managers of geluidstechnici met elkaar gesproken. Steve Priest heeft – ik citeer nog altijd uit Uncut – zo zijn eigen idee: “In the RCA building they would play demos with the doors open. I don’t know who came up with the idea first.”

Welkom aan de lezers die hier terechtkomen via www.internetgazet.be