12-06-17

Maandag 12 juni 2017

1941

Harry Nilsson

 

GEBOORTEJAAR

Vandaag vijftig jaar geleden nam Harry Nilsson in de RCA-studio’s in Hollywood zijn eigen compositie 1941 op. Het werd een track van zijn tweede elpee, Pandemonium Shadow Show. Sommige archivarissen noemen dat zijn debuut omdat zijn eerste worp geen echt studio-album was, maar een verzameling oud werk dat eerder op singles was verschenen.

JukeNilsson.jpgHoewel hij nooit met zoveel woorden heeft toegegeven dat 1941 autobiografisch is, vallen de gelijkenissen tussen zijn leven en dat van het personage in het lied niet te ontkennen. Nilsson werd geboren in 1941 en de eerste zin luidt: ‘Well, in 1941 a happy father had a son’. Verder in de songtekst verlaat papa het jonge gezinnetje, later gaat de zoon op de vlucht om uiteindelijk alleen maar dezelfde fouten als zijn vader te maken. Zo is het hem echt vergaan. In 1944 liet zijn vader hem en zijn moeder in de steek. Dat wordt: ‘And by 1944 the father walked right out the door’. Net als de zoon in het lied liep Nilsson op jonge leeftijd van huis weg en beleefde hij weinig geluk in zijn eerste en tweede huwelijk, toen hij ook een zoon op de wereld had gezet.

In de clip hieronder zien we een akoestische gitaarversie voor een televisieprogramma. Oorspronkelijk was de Beatlesque popwals, met z’n onverwachte scatfragmenten, echter rijkelijk voorzien van blazers en kerkorgels.

Ador Otting en Jaap de Groot, die in de sixties bij ZZ & De Maskers speelden, haalden in 1977 de Nederlandse Top-40 met een cover van 1941. Voor de naam van hun groep hadden ze inspiratie gevonden in Nilssons albumtitel Pandemonium Shadow Show. Ze noemden zich Pandemonium. De band heeft maar twee jaar bestaan en in die tijd slechts twee singles uitgebracht.

 

Welkom aan de lezers die hier terechtkomen via www.internetgazet.be

 

 

 

 

 

 

11-06-17

Zondag 11 juni 2017

Song For My Father

The Horace Silver Quintet

 

JukeHorace.jpgVADERDAG

Vandaag is het vaderdag. Tijd om Song For My Father van Horace Silver nog eens te draaien, ongetwijfeld zijn bekendste compositie. De jazzpianist nam het in 1964 op met zijn kwintet. Het werd de openingstrack van de gelijknamige elpee, uitgebracht op het label Blue Note. Er zit wat bossa nova in het nummer en dat kan niet verwonderen. De inspiratie werd opgedaan tijdens een trip naar Brazilië. En eigenlijk droeg hij die muziek al in zijn genen. De echte familienaam van Horace Silver was Silva. Zijn vader was van Portugese afkomst. Papa stond trouwens afgebeeld op de hoesfoto van het album.

Inmiddels schijnt het aantal covers van Song For My Father de tweehonderd te benaderen. En dan zijn er in de populaire muziek nog tal van werkstukken waarvoor duchtig uit deze compositie werd geplukt. Paul Weller heeft ooit toegegeven dat hij wat akkoorden heeft gepikt voor My Ship Came In van Style Council. Ook in Clover van Earth, Wind & Fire en in Don’t You Worry ‘Bout A Thing van Stevie Wonder horen musicologen Song Of My Father weerklinken. Het strafste voorbeeld is wel Rikki Don’t Lose That Number van Steely Dan uit de elpee Pretzel Logic uit 1974. In het begin zij beide songs nauwelijks uit elkaar te houden. Donald Fagen en Walter Becker van Steely Dan speelden wel meer leentjebuur in het jazzmilieu. “We’re the robber-barons of rock and roll”, gekscheerden ze eens toen ze de opmerking kregen dat de titeltrack van hun album Gaucho wel opmerkelijk veel muzikale gelijkenissen vertoonde met Long As You Know You’re Living Yours van jazzpianist Keith Jarrett. Die kon daar niet mee lachen en stapte naar de rechter. Nu staat hij al co-auteur vermeld. Horace Silver liet Steely Dan niet vervolgen, waarschijnlijk omdat hij Rikki Don’t Lose That Number eerder als een citaat dan als plagiaat beschouwde. En citeren is altijd in geweest in jazzmiddens.

 

Welkom aan de lezers die hier terechtkomen via www.internetgazet.be

 

 

 

10-06-17

Zaterdag 10 juni 2017

Torn Between Two Lovers

Mary MacGregor

 

DRIEHOEKSVERHOUDING

Al acht jaar niet meer onder ons. Op deze dag in 2009 overleed toetsenist Barry Beckett. Trouwe lezers weten dat ik een zwak heb voor sessiemuzikanten, mensen die vaak zonder een vermelding op de hoes meewerkten aan grote hits. Becket was een van hen. Hij was een stichtend lid van de legendarische Muscle Shoals Rhythm Section, ook wel bekend als The Swampers. Zo komt het dat hij te horen is pakweg Land Of A 1000 Dances van Wilson Pickett, I Never Loved A Man (The Way I Love You) van Aretha Franklin en When A Man Loves A Woman van Percy Sledge. Later werkte hij samen met Paul Simon aan diens elpees Still Crazy After All These Years en There Goes Rhymin’ Simon, onder meer op de singletrack Kodachrome. Een tijdlang toerde hij met de live line up van Traffic, de band van Steve Winwood, Jim Capaldi, Dave Mason en Chris Wood. 

JukeMary.jpgBarry Becket speelt piano en orgel op het album Slow Train Coming van Bob Dylan. Hij is ook de co-producer van die plaat. Dat is een job die hij na verloop van tijd almaar meer op zich nam. Zo was hij de producer van Communique van Dire Straits, High Time We Went van Joe Cocker en allerlei platen van pakweg Phoebe Snow, Delbert McClinton, Frankie Miller en Hank Williams Jr. Hij was ook de producer van Torn Between Two Lovers, in 1976 een Amerikaanse nummer 1 voor de breekbare Mary McGregor. De song werd geschreven door Peter Yarrow van het folktrio Peter, Paul & Mary en opgenomen in Muscle Shoals Sound Studio. De twee kenden elkaar omdat Mary MacGregor achtergrondzangeres was op een solotour van Peter Yarrow. In interviews heeft de zangeres gezegd dat ze eigenlijk niet blij was met haar succes, gewoon omdat ze zich niet kon vinden in het verhaal van een vrouw die een buitenechtelijke relatie aan haar man opbiecht, maar toch bij hem wil blijven. ‘Loving both of you is breaking all the rules’, zingt ze. En daarna: ‘Couldn’t really blame you if you turned en walked a way, but with eveything I feel inside, I’m asking you to stay.’ In haar ook op single uitgebrachte, zelfgeschreven song God Won’t Get You heeft Dolly Parton het over het nummer van Mary McGregor. En ze heeft er kennelijk ook gemengde gevoelens bij. Het lijkt heel autobiografisch, maar het kan natuurlijk ook zijn dat ze een overspelig personage opvoert. In elk geval, als de ik-persoon MacGregors plaatje op de jukebox hoort, vraagt ze zich af of ze zo’n tekst zou kunnen schrijven. ‘Wonderin’ if God loves us when we’re cheatin’. Oh, but why he lets us feel things if it’s wrong?’

Welkom aan de lezers die hier terechtkomen via www.internetgazet.be

 

 

09-06-17

Vrijdag 9 juni 2017

U Can’t Touch This

MC Hammer

 

JukeHammer.jpgAFBLIJVEN !

Stop! Hammer Time! Op deze dag in 1990 vestigde MC Hammer een record in de muziekgeschiedenis. Zijn Please Hammer, Don’t Hurt ‘Em stond toen 21 weken onafgebroken op de eerste plaats in de Amerikaanse hitparade voor albums. Zo droeg de schijf bij aan de popularisering van rap en hiphop. In dat genre is het nog altijd een van de meest verkochte platen. Het succes was zonder twijfel te danken aan de op single uitgebrachte track U Can’t Touch This. Dat werd een wereldhit. In Vlaanderen haalde het nummer de eerste plaats in de Top-30 van de VRT en in de Ultratop.

Je moet geen solfègediploma op zak hebben om te horen dat U Can’t Touch This dreef op de riff van Super Freak, tien jaar eerder een hit voor Rick James. Tot er wordt gezongen klinken de twee platen identiek. Rick James begon een proces, maar de kwestie werd uiteindelijk buiten de rechtbank om geregeld en sedertdien wordt hij vermeld als co-auteur. Hoe MC Hammer dat heeft geregeld met andere artiesten weet ik niet, maar het album barst van de songs waarin samples van bekende nummers zijn verwerkt. Zo horen we fragmenten van Mercy, Mercy, Mercy van Marvin Gaye, Super Bad en Say It Loud I’m Black And I’m Proud van James Brown, Let’s Work en When Doves Cry van Prince, We Care A Lot van Faith No More en Your Sweetness Is My Weakness van Barry White. De tweede single uit de elpee was zelfs helemaal een cover: Have You Seen Her, oorspronkelijk van The Chi-Lites.

Welkom aan de lezers die hier terechtkomen via www.internetgazet.be

 

 

 

08-06-17

Donderdag 8 juni 2017

Tattler

Ry Cooder

 

PARELS OPDUIKEN

Op deze dag in 1974 bracht Ry Cooder de elpee Paradise And Lunch uit. Die staat heel hoog in mijn lijst met platen die ik zou meenemen naar een onbewoond eiland.

JukeCooder.jpgAl zeg ik het zelf, ik heb een brede smaak, sta open voor alles en nog wat. Maar laat mij maar bekennen dat Ry Cooder een idool van mij is. Hij trekt zelden op tournee, één keer had ik de kans een concert van hem bij te wonen. Daar droom ik nog wel eens van als ik zwaar getafeld heb, om Wim Sonneveld in de woorden van Simon Carmiggelt te citeren. Ik heb het eens nageteld, van zijn titelloos debuut op vinyl tot zijn jongste cd’s is Ry Cooder zowat de meest vertegenwoordigde artiest in mijn platenkast. Blij ben ik met enkele collector’s items die nooit in de reguliere handel zijn geweest. En dan heb ik al die platen van andere artiesten waarop hij meespeelt nog buiten beschouwing gelaten.

Eerder heb ik hem op deze blog al eens beschreven als een kat met negen levens. De sessiemuzikant, bij pakweg Taj Mahal, Maria Muldaur, Randy Newman, John Hiatt (Bring The Family) en The Rolling Stones, die bandieten die zijn ideeën hebben gepikt. De archivaris die Buena Vista Social Club weer tot leven wekte, maar ons ook de tejano van Flaco Jimenez en de Nigerblues van Ali Farka Touré leerde kennen. Tegelijk was hij een technisch pionier, die met Bop Till You Drop de eerste digitaal opgenomen plaat maakte. Ze werd wel nog op vinyl geperst, want er bestonden nog geen cd’s. Verder is hij de soundtrackcomponist van pareltjes voor films als pakweg ‘Paris, Texas’, ‘The Long Riders’ en ‘Southern Comfort’. Een uitgesproken linkse activist is hij altijd geweest, maar wel heel nadrukkelijk op My Name Is Buddy, Pull Up Some Dust And Sit Down en Election Special. Ik kan me amuseren met op te zoeken welke namen hij laat vallen en naar welke gebeurtenissen hij verwijst.

JukeCooder2.jpgVandaag hebben we het dus over Paradise And Lunch, een plaat uit mijn top-10 aller tijden. Op weemoedige momenten kan ik ze van voor naar achter draaien. Opvallend is dat – althans op mijn exemplaar – de volgorde van de songs op de achterhoes afwijkt van die op de plaat. Er staan tal van traditionals op, zoals Tamp ‘Em Up Solid en Jesus On The Mainline. Verder oud blueswerk, als Married Man’s A Fool van Blind Willie McTell. Maar ik hou ook van If Walls Could Talk, geschreven door Bobby Miller en – zo lees ik op de van harte aanbevolen website www.secondhandsongs.com – eerst uitgebracht door Little Milton. Op de slottrack Ditty Wah Ditty van Arthur Blake gaat Cooder met zijn gitaar in duel met de piano van jazzvedette Earl Hines. Verder vinden we in het personeelsbestand van Paradise And Lunch onder meer de namen van de wonderlijke zanger Bobby King, bassist Chris Ethridge van The Fying Burrito Brothers, de onverbeterlijke sessiedrummer Jim Keltner – als hij meedoet op een plaat is het een goede, zeg ik altijd – en saxofonist Plas Johnson, bekend van zijn solo in The Pink Panther Theme van Henry Mancini. De producer was Russ Titelman. Hij is de schoonbroer van Ry Cooder, want die is getrouwd met diens zus, de fotografe Susan Titelman. Zij heeft niet alleen de hoesfoto genomen, ook de kleurrijke tekeningen en belettering zijn van haar hand.

Hoe goed Ry Cooder in staat is vergeten parels op te duiken, blijkt bij Tattler. Dat is een gospelblues van Washington Phillips uit 1929. Oorspronkelijk heette de song You Can’t Stop A Tattler. Hij bestond uit twee delen, elk aan een kant van een 78-toerenplaat. Cooder en Titelman bewerkten het tweede deel nogal grondig, waardoor ze ook vermeld worden als co-auteurs. Het is hun versie die Linda Ronstadt twee jaar later op haar succesalbum Hasten Down The Wind zette. Bij haar was de titel dan weer The Tattler. In het concertfragment hieronder hoor je haar de song aankondigen als een nummer dat ze via Ry Cooder leerde kennen.  

Welkom aan de lezers die hier terechtkomen via www.internetgazet.be