18-02-17

Zaterdag 18 februari 2017

Wonderful Remark

Van Morrison

 

JukeKing.jpgHET WERKELIJKE WOODSTOCK

Op deze dag in 1983 ging ‘The King Of Comedy’ in première, een film van Martin Scorsese met Jerry Lewis en Robert De Niro. Ik kan me niet herinneren dat ik die prent ooit heb gezien, maar de elpee met de soundtrack is nog altijd de moeite waard. Er staan nummers op van Ray Charles en B.B. King, van The Pretenders en Talking Heads, van Rickie Lee Jones en David Sanborn. De slottrack is Wonderful Remark is van Van Morrison. De bard van Belfast had het nummer opgenomen toen hij in de zomer van 1969 aan het album Moondance werkte, maar het verscheen dus voor het eerst op deze filmsoundtrack en kwam later op enkele verzamelaars terecht, waaronder The Best Of Van Morrison.

JukeSmall.jpg‘How can we listen to you, when we know your talk is cheap.’ In een BBC-interview heeft Van Morrison gezegd dat hij zong over een periode dat hij het moeilijk had. “Het gaat over mensen die mij zouden helpen, maar dat uiteindelijk niet deden. Soms kan je op niemand rekenen.” Hij mocht zijn uitleg dan vrij algemeen houden, in het boeiende boek ‘Small Town Talk’ (475 blz., uitgeverij Faber & Faber) suggereert Barney Hoskyns dat Morrison het wel eens kan gehad hebben over muziekmanager Albert Grossman. ‘Small Town Talk’ gaat over Woodstock. Niet over het festival, dat trouwens niet in Woodstock plaatsvond, maar in Bethel, meer dan honderd kilometer van daar. De organisatoren gebruikten de naam van dit plaatsje in de staat New York echter omdat het bekendheid had verworven als muzikantenkolonie. Wat Bob Dylan en The Band er hebben beleefd, is genoegzaam gedocumenteerd. Maar tal van andere artiesten verbleven voor korte of langere tijd in Woodstock. Vandaar dat we in dit boek ook pakweg Janis Joplin en Jimi Hendrix tegenkomen, Maria Muldaur en Karen Dalton, Todd Rundgren en Paul Butterfield, Jack Elliott en Eric Andersen. Ze waren allemaal Albert Grossman gevolgd, manager en platenbaas, maar ook ondernemer op andere terreinen. Er waren artiesten die het goed met hem konden vinden, maar hij had ook veel tegenstanders. Zo wou Joan Baez bijvoorbeeld niet met hem samenwerken. Barney Hoskyns vertelt in ‘Small Town Talk’ een straf verhaal over Les Brown, de vennoot van Albert Grossman in diens nachtclub ‘The Gate of Horn’. Hij verafschuwde Grossman zozeer dat hij na diens dood speciaal een lange reis maakte om op zijn graf te kunnen urineren.

Het was Robbie Robertson van The Band die Van Morrison meenam naar Woodstock om hem na enkele weken voor te stellen aan Albert Grossman. Barney Hoskyns tekent uit de mond van Morrison op dat hij het bezoek bij de manager thuis een ‘weird scene’ vond. “I think they were all stoned.” Robertson hoopte dat Grossman ook Morrisons manager zou worden. “Wat vind je van hem?”, vroeg hij toen Morrison een nummer had gespeeld. “Burn it”, antwoordde Grossman. Morrison had genoeg gehoord en vertrok uit Woodstock. Hij omschreef het plaatsje later als ‘a very closed world that seems to revolve around Grossman’. Het leek hem alsof die man een soort goeroe was, ‘the big daddy’ die het allemaal zou regelen. Vandaar dat Barney Hoskyns zich in zijn boek afvraagt of Wonderful Remark een song is over het werkelijke Woodstock, zo ver verwijderd van Dylans mythologie. Ter illustratie citeert hij enkele zinnen uit de songtekst: ‘How can your empty laughter fill a room like ours with joy, when you’re only playing with us like a child does with toys.’ O ja, nog een pittig detail: Robbie Robertson speelt gitaar op Wonderful Remark.

 Welkom aan de lezers die hier terechtkomen via www.internetgazet.be

 

 

 

17-02-17

Vrijdag 17 februari 2017

Stoppin’ In Las Vegas

Chubby Checker with ZZ & The Masks

 

ZET DE MASKERS MAAR OP

Op deze dag in 1964 zetten ZZ & De Maskers Sloppin’ In Las Vegas op plaat. De single flopte. Een jaar later deed de Nederlandse beatgroep het nog eens over, toen met niemand minder dan Chubby Checker als gastzanger. De tekst werd wel aangepast en de titel veranderde in Stoppin’ In Las Vegas. Zo haalden ze wel de hitparade met ‘Chubby Checker with ZZ & The Masks’ op het hoesje.

JukeZZ.jpgEigenlijk was Chubby Checker toen al over zijn hoogtepunt heen. Al in 1959 had hij zijn grootste hit gescoord met The Twist, al werd dat nummer bij twee of drie re-releases nog eens een hit. Eenmaal uitgedanst, verkaste hij in 1963 naar Europa in een poging een tweede loopbaan uit te bouwen. Een geslaagde carrièremove kan dat moeilijk worden genoemd, maar tijdens een optreden op de Oktoberfeesten in München – hij had Muss I Denn (Wooden Heart) van Elvis Presley gecoverd – vond hij wel de liefde. Hij ontmoette er de Miss World van 1962, het Nederlandse model Catharina Lodders, met wie hij kort daarna trouwde en drie kinderen op de wereld zette. In die dagen trad hij geregeld op in ‘Palais De Dance’ en het ‘Kurhaus’ in Scheveningen, waarbij ZZ & De Maskers het voorprogramma voor hun rekening namen. Zo leerden zij elkaar kennen. Samen namen ze ook nog Baby Baby Balla Balla op, het B-kantje van de oorspronkelijke single Sloppin’ In Las Vegas. De achterkant van Stoppin’ In Las Vegas was echter Cato From Volendam. Ondanks de Engelstalige titel was dat een liedje in het Nederlands. Ja, hoor, Chubby Checker zong in het Nederlands. ‘Wat een meid, wat een meid, wat een meid is dat.’

Die ZZ van De Maskers heette eigenlijk Boris Blom, al hanteerde hij meestal de artiestennaam Bob Bouber. Met een aantal muzikanten uit andere bands stichtte hij in het begin van de jaren zestig een groep die vandaag gerekend wordt tot de pioniers van de Nederpop. De bandnaam paste bij het concept: ze traden op met Zorromaskers voor het gezicht. Aanvankelijk brachten ze Nederlandstalig rock, waaronder – waar hebben we dat nog gehoord? – Trek Het Je Niet Aan. Voor ze zich op rhythm-and-blues en een Engelstalig repertoire stortten, hadden ze nog enkele instrumentale hitjes met Jan de Hont als sologitarist. Daarvan is de slow La Comparsa het bekendste. 

Welkom aan de lezers die hier terechtkomen via www.internetgazet.be

 

 

 

 

16-02-17

Donderdag 16 februari 2017

I Was Born With The Blues

Sonny Terry & Brownie McGhee

 

GEBOREN MET DE BLUES

Op deze dag in 1996 overleed Brownie McGhee. Deze crack van de folkblues heeft van in het begin van de jaren ’40 tot zowat 1980 tientallen albums gemaakt, meestal samen met mondharmonicaspeler Sonny Terry. Hij was geboren met de blues, zoals hij het zelf zingt in I Was Born With The Blues. ‘My momma had’em, my daddy had’em too”, zo gaat de tekst van deze song die in 1961 op de elpee Blues Is My Companion verscheen De albumtitel is een variant op een zin uit het nummer.

JukeSonny.jpgEigenlijk had ik het duo toen al moeten kennen, maar mijn interesse voor deze twee bluesmannen werd toch pas in 1982 gewekt. Op het album Beautiful Vision van Van Morrison stond toen de overduidelijk autobiografische song Cleaning Windows. Met Mark Knopfler als gastgitarist somde de bard van Belfast daarin enkele van zijn favorieten op: Jimmie Rodgers, Muddy Waters, Blind Lemon Jefferson en Lead Belly. Ook Sonny Terry & Brownie McGhee werden vermeld. Toen ik uit de mond van mijn idool hoorde welk zijn idolen waren, moest ik natuurlijk op zoek naar werk van hen. Dat ik nu hun platen in huis heb, dank ik aan prijzenswaardige platenboeren die geen moeite spaarden om ernaar op zoek te gaan. Heel nadrukkelijk koester ik de elpee Whoopin’ waarop Sonny Terry wordt bijgestaan door niemand minder dan de blueslegendes Johnny Winter en Willie Dixon. Die laatste, die trouwens net als Brownie McGhee in 1915 werd geboren, is de auteur van een resem bluesklassiekers als Hoochie Coochie Man, Spoonful, Little Red Rooster en Back Door Man, die later successen werden voor pakweg Muddy Waters, John Lee Hooker of Howlin’ Wolf.

Ook de broer van Brownie McGhee, Granville McGhee, die Sticks werd genoemd, was een muzikant. Hoewel hij veel minder invloed heeft gehad op de bluesgeschiedenis, heeft hij met Drinkin’ Wine Spo-Dee-O-Dee wel een wereldwijd bekende song op zijn naam staan.

Welkom aan de lezers die hier terechtkomen via www.internetgazet.be

 

 

 

 

15-02-17

Woensdag 15 februari 2017

All I Ever Need Is You

Sonny & Cher

 

JukeJH1.jpgJukeJH2.jpgIK MEEN HET

Vandaag is het dertig jaar geleden dat Jimmy Holiday overleed. Als zanger had de Amerikaan in 1963 een hit met zijn debuut How Can I Forget, maar dat zijn we allemaal vergeten. We kennen hem vandaag vooral als componist van songs waarmee andere artiesten succes boekten. Zijn meest bekende werk is misschien wel Put A Little Love In Your Heart dat hij schreef met de onvolprezen Jackie DeShannon en haar broer Randy Myers. Jaja, haar broer, ze werd geboren als Sharon Lee Myers. Achteraf bekeken, lijkt het alsof ze meer scoorde met pakweg Needles And Pins, When You Walk In The Room of What The World Needs Now Is Love, maar geen van die platen stond zo hoog in de Amerikaanse hitparade als haar Put A Little Love In Your Heart uit de zomer van 1969. In 1988 coverde Annie Lennox het met Al Green voor de film ‘Scrooged’.

Voor Ray Charles schreef Jimmy Holiday onder meer Hey Mister. Charles nam ook All I Ever Need Is You op, een nummer van Jimmy Holiday en Eddie Reeves. Het stond op zijn elpee Volcanic Action Of My Soul in 1971, maar werd datzelfde jaar vooral een hit voor Sonny & Cher. En hier valt het verhaal in herhaling. Ook dat duo gaat de geschiedenis in met veel meer bekende songs, maar dit is wel het plaatje waarmee ze het langst in de Amerikaanse hitparade hebben gestaan. Er werden meer dan twee miljoen exemplaren van de single verkocht en ook hun elpee met dezelfde titel vloog over de toonbank. Countryliefhebbers waarderen dit nummer ongetwijfeld in de uitvoering van Kenny Rogers en Dottie West. Waarschijnlijk zijn er zelfs lezers die de versie van André Hazes kennen, duidelijk eerder geïnspireerd door Kenny Rogers dan door Ray Charles of Sonny & Cher. Hazes’ vertaling Ik Meen’T werd in 1985 een Nederlands nummer 1. Echt, ik meen ‘t.

Welkom aan de lezers die hier terechtkomen via www.internetgazet.be

 

 

 

 

 

14-02-17

Dinsdag 14 februari 2017

Substitute

The Who

 

LEVEND EN WEL

Vandaag in 1970 nam The Who, tijdens een concert in de universiteit van Leeds, een album op dat vandaag beschouwd wordt als een van de beste live-platen aller tijden. Live At Leeds verscheen in mei van dat jaar en deed het wereldwijd goed in de albumlijsten. Tijdens een van de vele reünietournees die The Who in de loop der tijden heeft gemaakt, stond de groep in 2006 opnieuw op die heilige grond. Gezien Keith Moon (1978) en John Entwistle (2002) toen al overleden waren, kregen de overlevende bandleden Roger Daltrey en Pete Townshend versterking van Zak Starkey, de zoon van Ringo Starr, en van Petes jongere broer Simon Townshend. Met de uitroep ‘It’s great to be back!’werd het concert op gang geschoten.

JukeLeeds1.jpgHet optreden van Valentijnsdag 1970 zal legendarisch blijven. In The Refectory op de uniefcampus, een art deco vertrek waar studenten sedert 1955 hun boterhammen aten, was in een erker een podium opgetrokken. De stroomvoorziening was te beperkt voor de verzameling versterkers. Gelukkig konden aankomende ingenieurs en andere technologiestudenten daar in de namiddag een mouw aan passen. Zo’n tweeduizend mensen in de zaal en naar schatting nog eens zoveel buiten – honderden zaten op het dak – hoorden hoe het nummer My Generation bijna vijftien minuten lang werd gerekt. Pete Townshend speelde er zo gedreven gitaarsolo’s in dat zelfs zijn trouwste aanhang toegeeft dat hij dat niveau later nooit meer heeft gehaald.

 

JukeLeeds2.jpgEr stonden liefst 33 songs op de setlist, maar uiteindelijk kwamen er maar zes op de historische elpee terecht. De hoes was ontworpen naar het voorbeeld van bootlegs uit de tijd. De vormgeving wordt wel eens gezien als een parodie op Live’r Than You’ll Ever Be van The Rolling Stones. Hiernaast ze je dat daar ook een soort stempel op stond.De eerste exemplaren van Live At Leeds waren voorzien van memorabilia, zoals kopieën van handgeschreven en getypte songteksten, een afwijzingsbrief van het platenlabel EMI en een facsimile van hun contract om op Woodstock te spelen. De oorspronkelijke elpee bevatte evenveel covers als eigen nummers. De A-kant opende met Young Man Blues van Mose Allison. Na Subsitute volgden Summertime Blues van Eddie Cochran en Shakin’ All Over van Johnny Kid & The Pirates. Op de B-kant stonden maar twee werkstukken: My Generation en Magic Bus. Toen Live At Leeds in 1995 op cd werd uitgebracht, telde die veertien tracks. Pas in 2002 verscheen een dubbel-cd met alle songs van het concert. De volgorde werd wel door elkaar gehaspeld omdat men absoluut alle nummers uit de rockopera Tommy op eenzelfde cd wou hebben. Het duurde nog tot 2014 voor het hele optreden van A tot Z op cd te krijgen was.

Weinig geweten is dat Live At Leeds eigenlijk Live at Hull had moeten zijn. Een eerder optreden van The Who in Hull was namelijk voorbestemd om op plaat te belanden. Maar na de opnames bleek dat de lijn tussen de basversterker en de bandopnemer niet naar behoren had gefungeerd en dus werd alles overgedaan in Leeds.

 

Welkom aan de lezers die hier terechtkomen via www.internetgazet.be